Poëzie is helemaal niet dood

Poëzie is helemaal niet dood
© De Telegraaf

De poëzie is niet dood! Literatuurwetenschapper Kila van der Starre, verbonden aan de Universiteit Utrecht, kon na onderzoek onder ruim duizend respondenten, concluderen dat haast alle volwassenen wel met gedichten in aanraking komen.

Staat het dichtersplankje in de boekwinkel er verweesd bij, het werk wordt niet versmaad, weet Kila van der Starre.

Magere verkoop

„De verkoop van bundels is mager, daarom wordt gedacht dat de poëzie dood is. Maar 97 procent van alle volwassenen komt er wel mee in aanraking. Ten eerste op bruiloften, geboortekaartjes en uitvaarten, wanneer mensen op zoek gaan naar woorden voor hun gevoelens. Ten tweede op televisie, zoals DWDD-huisdichter Nico Dijkshoorn, en ten derde in de buitenruimte, gedichten op muren, gevels en straat. Veel mensen waarderen die dichtuitingen met een 7 of hoger. De helft gaf aan kort na zo’n toevallige ontmoeting meer gedichten te willen lezen.”

En dichters lezen andere dichters. Op zijn 18de besteedde dichter F. Starik zijn hele maandgeld - 35 gulden - aan een dichtbundel. „Fernando Pessoa, in de vertaling van August Willemsen, het was een rib uit mijn lijf. Maar nog steeds zijn het fascinerende regels, een rijke bron om uit te putten. Ook Rilke heeft me ten diepste beroerd, zijn werk geeft me een verwijzing hoe te leven. Poëzie zie ik niet als gevoelens, maar als ervaringen.”

„Bij de onuitgesproken grote momenten van het leven grijpen we naar gedichten. Nel Benschop staat boven de rouwadvertentie, Rust nu maar uit, je hebt je strijd gestreden, Toon Hermans’ ’Vriend’ wordt aangehaald. De woorden van Libanees Kahlil Gibran staan vaak op geboortekaartjes: Je kinderen zijn je kinderen niet, zij zijn de zonen en dochters van ’s levens hunkering naar zichzelf.”

De Eenzame Uitvaart

Starik is een van de dichters uit de pool van Stichting De Eenzame Uitvaart. Overledenen zonder familie en vrienden, die vaak pas na weken dood worden aangetroffen in huis, krijgen een gemeentebegrafenis. Starik en zijn mededichters vinden dat iedereen het verdient om met speciaal voor hem gekozen woorden begraven te worden.

Dichters en dood, het is volgens hem een onlosmakelijke eenheid. „Maar gedichten kunnen ook vrolijk zijn. Mijn eerste bundel op het plankje boven mijn bed was van Annie M.G. Schmidt. Op de middelbare school lazen we Cees Buddingh’. De zon komt op, de zon gaat onder. Langzaam telt de oude boer zijn kloten. Een pastiche, wij moesten er onwaarschijnlijk hard om lachen. Net als dat gedicht van Buddingh’ over dat dekseltje van de Marmite dat ook precies op het potje Heinz sandwich spread paste, en andersom eveneens. Dat vond zelfs mijn humorloze vader leuk. We hebben het natuurlijk uitgeprobeerd aan de ontbijttafel, en ja hoor. Maar om dat uitwisselbare dekseltje gaat het natuurlijk niet. Het gaat om de verwondering over het alledaagse, dat zet luikjes open in je hoofd.”

Mooiste regel

Een hoofd vol gedichten, onmogelijk om daar de mooiste regel uit te pikken. „Bloem wordt tegenwoordig in het wereldje wel afgeschilderd als een sentimentele ouwe zeur, maar daar ben ik het niet mee eens. Zijn beste regel is ’Wat geeft het’.”

Starik citeert J.C. Bloem voor de vuist weg:

Ik heb van ’t leven vrijwel niets verwacht,

’t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.

Wat geeft het? – In de koude voorjaarsnacht

Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

„Ik ken hele gedichten of stukken ervan uit het hoofd. Midden in de nacht mompel ik ze dan voor me uit.” Aha, pure romantiek! „Haha, mijn vriendin slaapt overal doorheen, hoor. Als mensen een gedicht van mij kunnen voordragen, uit het hoofd en in tranen, voel ik me wel heel dicht bij de onsterfelijkheid.” Om daaraan toe te voegen: „Al heb ik daar niks aan.”

Marie-Thérèse Roosendaal

Wil je niks missen van Noordhollands Dagblad? Like ons dan op Facebook!

Het laatste nieuws