Hugo Camps, de godenzoon van Simon Carmiggelt en Nico Scheepmaker | column

Joost Prinsen

Hugo Camps is dood. Journalist, interviewer, columnist. En vooral dat laatste. Google zijn naam en klik op afbeeldingen. Talloze foto’s van hem. Niet één waar hij lachend op staat. Hoewel hij van het goede leven hield, zeker als zich dat in restaurants en cafés afspeelde, was het bestaan en vooral het schrijven voor hem een ernstige zaak.

De column was zijn heilige graal. Het was niet alleen een eigen plek waar zijn haan koning mocht kraaien. Het was zijn manier van leven. Voor mijzelf bestaat een week uit een periode dat mijn column af is en de periode vóór die tijd. In dat laatste geval knaagt onrust. Zeker als ik nog niet weet waarover te schrijven.

Voor Camps ging het veel verder. Hij schreef jarenlang sportcolumns voor NRC. Toen de krant die serie stopzette, was dat een persoonlijke tragedie. In het in memoriam van maandag jongstleden citeert NRC hem hierover: „Of ik nu ziek of halfdood was: het moest doorgaan. Het was een kleine climax van de week, ik leefde ernaar toe. Het zorgde voor de continuïteit. Nu de column is gestopt, voel ik mij geamputeerd, een gat, een doel is weggevallen.”

Dat ernaar toe leven mag u letterlijk opvatten. Hij vertelde me ooit dat hij het moment van schrijven zo lang mogelijk uitstelde, ’tot vlak voor de deadline, tot het echt niet meer langer kan’. Hij kon niet zonder dat pistool op zijn borst. Maar op die allerlaatste momenten waren zijn observaties vaak precies in de roos:

Kim Clijsters: een moeder Theresa aan net- en baseline: volks, schalks en nederig. Over Feyenoord: Reserve-vedetten, tweedehandsspul.’ Of over Erik Ten Hag: Er zit geen vleugje Cees Nooteboom aan hem, ook niet aan zijn vestimentaire outfit.

U en ik zouden die ’vestimentaire outfit’ misschien vervangen door ’kleding’. Maar bourgondisch taalgebruik was nooit ver bij hem vandaan. Neem deze zin over de Tourstart in Brussel: ’Er is LE GRAND DÉPART van de Tour in het spitante Brussel dat urbanistische melaatsheid en xenofobie heeft afgeworpen voor bier en vlaggetjes’.

Of over Ajacieden tijdens een huldiging: ’Ze hosten zichzelf op het podium tot springveren van laveloos geluk’.

Bloemrijker lees je het zelden. Je had de indruk dat zijn pen soms sterker was dan hijzelf. Toch las ik hem altijd met een zekere jaloezie. Want als hij op zijn best was, schreef hij zinnen die ik niet in huis heb.

Misschien moet je journalisten als Simon Carmiggelt en Nico Scheepmaker beschouwen als de vader en oom van de column in het Nederlands taalgebied. Hugo Camps was een leven lang hun godenzoon.

Toch nog even in het woordenboek opgezocht wat ’spitant’ betekent: bruisend, levendig. „Brussel was toen nog een bruisende stad”, Jacques Brel zei het ook al.

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.