De Opstand als meer dan een strijd tussen katholieken en protestanten. ’Dominante groep in Haarlem vond dat de vorst de godsdienst vrij moest laten’

Aanbieding van het smeekschrift der edelen in 1566.© Archieffoto Rijksmuseum

1 / 2
Hein Klemann

In 1565 verbood het Haarlemse stadsbestuur de opvoering van het toneelstuk Het Cooren van Lauris Jansz, factor van de rederijkerskamer De Wijngaertrancken. 1565 en de daaropvolgende jaren werden gekenmerkt door duurte, waardoor voor de kleine mensen honger steeds nabij was. De magistraten moesten in die omstandigheden niets weten van een opruiend toneelstuk. Behalve mislukte oogsten in Frankrijk, waar een deel van het graan vandaan kwam, resulteerden oorlogen in het Oostzeegebied in stagnatie van de aanvoer. Toch wees Lauris Jansz vooral speculatie aan als oorzaak van de extreme graanprijzen. Daarin was hij niet uniek. Heynszoon Adriaensz, de factor van de andere rederijkerskamer, Trou moet Blijcken, ging in Een spel van der Neering eveneens tekeer tegen de commerciële praktijken van de elite waarmee zij kleine luiden het vel over de oren haalden. Heynszoon uitte bovendien felle kritiek op de kerk.

Al in 1559 waren op gezag van de koning de rederijkerskamers verboden en in 1565 had Haarlems eerste bisschop, Nicolaas van Nieuwland, verordonneerd dat er geen enkel toneelstuk zonder zijn toestemming mocht worden opgevoerd. Rederijkers gaven echter stem aan het volk en hun geluid werd niet gemakkelijk gesmoord. In de hongerjaren 1565 en 1566 werden de verhoudingen op velerlei gebied op scherp gezet. De bevolking morde vanwege de hoge prijzen en de almaar hogere belastingen. De adel was ontevreden omdat allerlei hoge ambten niet langer automatisch hen toevielen, maar die steeds vaker naar hooggeschoolde burgers gingen. Bovendien ondermijnde de centralisatiepolitiek van de koning de privileges van de steden. Tenslotte riep de religieuze intolerantie van de Spaanse vorst onvrede op. Deze hongerjaren vormden dan ook de opmaat tot de Opstand, bij velen bekend als de Tachtigjarige Oorlog.

In 1566 boden tweehonderd vooral lagere edelen onder leiding van Hendrick van Brederode landvoogdes Margaretha van Parma een Smeekschrift aan, waarin zij naast religieuze vrijheid eisten dat allerlei posten naar de lokale adel zouden gaan. Margaretha reageerde angstig, maar een staatsraad fluisterde haar toe dat het slechts om gueux – bedelaars – ging. Die lagere edelen noemden zich daarop geuzen. Brederode werd de Grote Geus genoemd. In reactie op het Smeekschrift gaf Margaretha, die een opstand vreesde, zowel lokale bestuurders als de inquisitie opdracht milder op te treden. In Haarlem gaven de magistraten daarop een klein groepje Calvinisten toestemming op de Baan, buiten de stadspoort, maar binnen het Haarlemse rechtsgebied, een houten kerkje, de Geuzenschuur, te bouwen.

Traditioneel is de Opstand beschreven als een strijd tussen fanatieke katholieken en nauwelijks minder fanatieke protestanten, vooral calvinisten. Feitelijk was de situatie complexer. Het Spaanse katholicisme en de aanhangers daarvan waren uitermate intolerant en trachtten elke andere religie te onderdrukken. Daartegenover stonden fanatieke calvinisten. Beide groepen waren ver in de minderheid. Een derde, in Haarlem dominante groep waarvan de meesten katholiek waren, vond dat de vorst de godsdienst vrij moest laten en de stad religieuze minderheden enige ruimte moest gunnen. Godsdienst was echter slechts één bron van onvrede. Hoge voedselprijzen, stijgende belastingen en politieke kwesties waren van minstens zo groot belang.

uit de tijd

Historische rubriek van de Haarlemmer

Hein Klemann, hoogleraar economische geschiedenis aan de Erasmus Universiteit.

Meer nieuws uit Haarlem

Meest gelezen