De helft van een duo zijn heeft meerwaarde | column

Maaike van der Plas

Elk ziekenhuis richt op zijn eigen manier de weekenddiensten in. In mijn centrum hebben we als arts-assistenten neurologie gekozen voor twaalfuursdiensten op zaterdag en zondag, waarbij de dagdienst door twee artsen tegelijk wordt ingevuld.

Van andere centra horen we soms dat dit een overbodige luxe is. Als een arts-assistent maar keihard rent, alle vormen van pauze opgeeft, en af en toe accepteert dat hij of zij een soort rampengeneeskunde beoefent in plaats van mooie neurologie, is zo’n dienst ook wel solo te doen.

Ik denk dat dit op sommige dagen misschien wel waar is, maar eigenlijk ben ik altijd blij om een collega naast me te hebben in de weekenden. Als het druk is en er meerdere spoedgevallen zijn, kunnen we de zorg verdelen zonder concessies te doen aan de kwaliteit. Maar zelfs tijdens een rustige dienst, vind ik het vaak nog steeds van meerwaarde om een duo te zijn: je krijgt namelijk de mogelijkheid om elkaar aan het werk te zien.

Bijna alle jonge dokters zullen het hierover eens zijn: de opleiding geneeskunde bereidt je maar gedeeltelijk voor op het bestaan als arts. Dat is niet het gevolg van een inherente fout in het curriculum, maar de simpele consequentie van het feit dat je het beroep pas echt gaat ervaren na het afstuderen. Pas als je niet meer een toeschouwer bent, maar zelf degene die antwoorden moet hebben op de vragen van verpleegkundigen of wordt geconfronteerd met ernstig zieke patiënten, voel je de daadwerkelijke verantwoordelijkheid die hiermee gepaard gaat.

Ziekenhuizen en opleidingen proberen deze overgang zo makkelijk mogelijk te maken door allerlei hulpmiddelen te introduceren. Jonge artsen krijgen vaak een mentor of een buddy in de vorm van een oudere arts-assistent of zelfs een staflid die hen begeleidt tijdens de eerste maanden. Zo’n mentor kan zijn of haar pupil wijzen op praktische zaken (verplichte cursussen of e-learnings), maar ook een aanspreekpunt zijn bij problemen. Verder hebben sommige centra intervisiegroepen, waarin onder begeleiding van een professional heftige ervaringen kunnen worden gedeeld.

Deze systemen zijn nuttig en goed, maar voor mij halen ze het niet bij de duo-weekenddienst. Mijn collega in de dienst kan een hulplijn zijn („Wat is ook weer de dosering van dit medicijn? Wat zou jij geven aan deze patiënt?”), een second opinion, of een klaagmuur als alles tegenzit.

Ik heb mijn dienstpartner geholpen bij ruggenprikken die niet lukten en het opvangen van spoedgevallen makkelijker gemaakt door al die kleine dingen te doen die veel tijd kosten als je alleen bent (alvast de CT-scan aanvragen, het familielid van de patiënt aan de tand voelen over wat er nou precies is gebeurd, een actueel medicatieoverzicht opvragen). Als we samen een patiënt zien, kan de één alvast tijdens het gesprek het verhaal in het dossier tikken. Verder voelt het observeren van en het geobserveerd worden door een gelijke als een stressvrije manier om meer te leren over jouw eigen handelen.

En natuurlijk heb ik ook wel eens met een collega op een bijzonder rustige dag Toy Story 1, 2 en 3 gekeken. Maar dat noem ik liever niet tegen degenen die menen dat weekenddiensten met twee artsen een overbodige luxe zijn.

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.