Voortekens, oftewel: lering trekken uit de verhalen van anderen | column

Maaike van der Plas

„Ik denk dat ik een teken van boven heb gekregen”, zegt mijn collega plechtig. Ik vraag haar om details. Openbaarde zich plotseling een engel aan haar, terwijl ze aan het werk was op de afdeling klinische neurofysiologie?

Zag ze op klaarlichte dag een heldere komeet boven het helikopterplatform? Was het een zwerm zwaluwen, die van rechts naar links over het ziekenhuis vloog? Niets van dit alles. Het teken van boven kwam niet uit de hemelen, maar van de vierde verdieping, waar de Intensive Care is gesitueerd.

Mijn collega kreeg de oproep om een hersenfilmpje te maken bij een generatiegenoot die daar lag opgenomen na een onfortuinlijk ongeval met de e-bike. Aangezien zij zelf snelheden behaalt op haar elektrische fiets waarvoor ze zich bij mijn lokale wielervereniging niet zou hoeven te schamen, beschouwt zij het hersenletsel van deze man als een dringende oproep om een helm aan te schaffen.

Deze collega is zeker niet de enige die zichzelf gespiegeld ziet in het lot van een patiënt. Ik ken menig arts die nooit een motor zal aanraken en hun partners dat ook ten strengste verbiedt, op basis van alle vreselijke letsels die hij of zij op de traumakamer voorbij heeft zien komen.

Zelf heb ik, na het zien van een röntgenfoto van de oogkas van een tweejarig meisje tijdens mijn coschap radiologie, een fobie voor messen die met de scherpe kant omhoog in het bestekbakje van de vaatwasser staan. Ik weet dat als je een arm wilt breken, je vooral moet gaan schaatsen. Voor knieletsel is voetbal of skiën meer geschikt. Traplopen in combinatie met alcohol is vaak goed voor een hoofdwond en een kleuter in de buurt van een per ongeluk openstaand traphekje is een betrouwbare manier om een nachtje observatie voor de kinderneurologie te garanderen.

Als kind was ik zelf een vaste klant op de Spoedeisende Hulp van het ziekenhuis waar ik nu werk. Gebroken arm, verstuikte enkels, brandwonden, kapot sleutelbeen: mijn dossier was indrukwekkend. Sinds ik echter als arts aan de slag ben, heb ik mij nooit meer met letsel hoeven melden. Mogelijk is het inderdaad beschermend om lering te trekken uit de verhalen van anderen.

Ik zie mijn collega met haar nieuwe helm en besluit nog nauwlettender te luisteren naar de mechanismen waarmee mijn patiënten hun verwondingen hebben opgelopen. Misschien komt er voor mij ook wel een voorteken. Het zenuwletselspreekuur is de perfecte plek voor deze queeste. Bij het merendeel van de patiënten concludeer ik met opluchting dat ik veilig ben. Aan mountainbiken doe ik niet, golfsurfen is niets voor mij, ik sta niet op ladders en heb me nog nooit laten voorttrekken op een slee achter een auto.

Ook de laatste patiënte van het spreekuur ondervraag ik zorgvuldig. Ze is relatief jong, maar heeft een ernstige klapvoet na knieletsel en loopt nog steeds moeilijk. Was het snowboarden? Polsstokhoogspringen? Bungeejumpen? „Nee, helemaal niet!” vertelt ze me. „Ik lag een dutje te doen op de bank en toen ik opstond, gebeurde het gewoon!”

Ik beschouw dit niet als teken van boven.

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.