Monumenten: heden en verleden komen samen | column

Joost Prinsen

De anekdote zal wel gelogen zijn, ik heb hem ooit gehoord uit de mond van Harry Mulisch. Of gelezen ergens in zijn werk. Of gehoord van iemand anders over Mulisch.

Het is merkwaardig dat ik van veel verhalen die ik ken de oorsprong niet meer weet. Niet meer weet hoe ze ooit in mijn geheugen verzeild zijn geraakt. Terwijl ik voor de waarheid doorgaans al helemaal niet kan instaan.

Harry Mulisch dus. Naar eigen zeggen is hij vereeuwigd op het monument op de Dam. In 1946 begon beeldhouwer Johannes Anton Rädecker schetsen te maken voor de beeldengroep van het monument. Het duurde overigens tien jaar vóór het tot een onthulling kwam. Op de eindeloze ontstaansgeschiedenis van de zuil en alle beelden erop en eraan kan een historicus afstuderen.

Maar in 1946 speelde dat allemaal nog niet en Rädecker had modellen nodig voor zijn ontwerp. Liefst magere jongemannen. Want op een oorlogsgedenkteken beeld je geen smulpapen af. Mulisch, negentien jaar oud, broodmager en op zwart zaad, hoorde hiervan en bood zich aan. Hij werd aangenomen en poseerde voor een rijksdaalder per uur. Later beweerde Harry dat Rädecker tijdens het schetsen onophoudelijk het lied zong ’Is dat je vrijer/ die teringlijer? Is dat je gozer/ die tuberculoser.’ Het zal allemaal wel gelogen zijn.

Vijfenzeventig jaar later, zondag j.l. om precies te zijn, werd in de Bijlmer het monument onthuld ter nagedachtenis van Nelson Mandela. Plechtige gebeurtenis! De voorzitter van de stadsdeelraad sprak, de burgemeester van Amsterdam sprak, Clarence Seedorf sprak, om u een indruk te geven.

Het gedenkteken zelf van de Zuid-Afrikaan Mohau Modisakeng laat in het rond zeven levensgrote gezichten zien. Mensen van allerlei slag. Je kunt door het monument heenlopen en zo als het ware in het hoofd van Mandela belanden.

Maar zoals Mulisch model was voor de Dam, daar ga ik nu tenminste maar even vanuit, zo waren de modellen van Mohau voor die levensgrote figuren levensechte mensen. Zeven Amsterdam Zuidoosters die tot in lengte van dagen vereeuwigd zijn in het Mandelapark. Ze waren zondag alle zeven aanwezig. En werden na afloop eindeloos gefotografeerd naast hun gebeeldhouwde hoofd. Eén van hen was Quincy Menso. Op het podium werd naar zijn commentaar gevraagd. Zijn reactie: „Al mijn ex-vriendinnen kunnen nooit meer om me heen”!

Ook een manier om tegen een monument aan te kijken. En misschien niet eens de slechtste.

Mij deed zijn commentaar in ieder geval aan Harry Mulisch denken.

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.