Als eindelijk het vlees op het rooster kon, waren de buren wel uit hun tuin gerookt | Column

De kipsateetjes, hamburgertjes en worstjes zijn alweer in huis. Vanavond weer barbecueën. Net als gisteren, eergisteren en de dag daarvoor en net als morgen, overmorgen en vast ook de dag daarna.

Het is een ongeschreven regel in ons huishouden. Zodra de temperatuur de dertig graden bereikt, wordt er gebarbecued. En terwijl het normaal mijn vriendin is die kookt, is het mijn taak om de satéstokjes om te draaien.

Stiekem vind ik het nog leuk ook. Vroeger keek ik gefascineerd en vol bewondering naar mijn vader als die de familie weer eens had uitgenodigd voor een barbecuefeestje. Eerst was hij uren bezig met het snijden, marineren en het aan stokjes rijgen van het vlees. En dan begon hij aan zijn beroemde ravigotesaus en satésaus. Daarna kwam de pyromaan in hem naar boven. Lekker fikkie stoken! Met behulp van oude kranten en een overdosis spiritus verhitte hij de kooltjes. En als dan eindelijk het vlees op het rooster (aan maïskolfjes en gevulde paprikaatjes deed hij niet) kon, waren de buren wel uit hun tuin gerookt.

Gewapend met zijn grijper speelde mijn vader vervolgens voor chef-kok. De barbecue liep dan als de brandweer. Het tempo waarin de sateetjes, hamburgertjes en knakworstjes voorbij kwamen was voor de meeste genodigden al snel niet meer bij te benen.

Het is fijn om in mijn vaders voetsporen te treden. Al heeft de slager het marineer- en rijgwerk al voor mij gedaan en komen de sausjes uit een tube, het grillen doe ik toch echt zelf. Waarna ik de stekker uit de barbecue trek en deze terug de schuur in rol.

Het moet natuurlijk wel leuk blijven.

Meer nieuws uit Alkmaar

Meest gelezen