Turntrainer Gerrit Beltman geeft zijn grensoverschrijdend gedrag toe en doet een boekje open: ’Ik was bezeten en ik was niet de enige’

Gerrit Beltman, in 2005.

Gerrit Beltman, in 2005.© FOTO JIMMY BOLCINA / PHOTONEWS.BE

Marco Knippen

Hij is de verpersoonlijking van het grensoverschrijdend gedrag in het Nederlandse turnen. Terecht, zo stelt Gerrit Beltman, ’want het gedrag wat ik vertoonde, is op geen enkele wijze goed te praten’. Daarom trekt hij het boetekleed aan. Maar er zit hem ook iets dwars. Waar Beltman zich aan stoort, is het gebrek aan volledige openheid over de misstanden door de Nederlandse gymnastiekunie KNGU. „Ik was, en ben, niet de enige – integendeel. De kans dat je als turnster – en dan praat ik over de topsportkant – getraumatiseerd uit de strijd komt, is groter dan dat je onbeschadigd blijft.”

Beltman (64) kan het weten. Sinds het begin van de jaren tachtig is hij als coach in de sport actief en inmiddels is hij een gevestigde naam. Hij werkte met olympiërs, WK-deelnemers en EK-gangers, staat aan de basis van de Nederlandse opmars in het internationale turnen en verlegde nadien zijn vizier naar het buitenland: België (Vlaanderen), Canada, weer België (Wallonië), Duitsland en momenteel Singapore.

Zo leidde Beltman Renske Endel op, tot een jaar voordat de Noord-Hollandse in 2001 in Gent op het toestel brug vicewereldkampioene werd.

Endel, eveneens de nummer twee van Europa in 2002, was echter ook slachtoffer van zijn schrikbewind, net als onder meer haar voorgangsters Stasja Köhler en Simone Heitinga, het tweetal dat in 2013 op indringende wijze in het boek ’De onvrije oefening’ de jarenlange onderdrukking beschreef.

U mishandelde turnsters fysiek, intimideerde, negeerde, isoleerde, manipuleerde en zette de turnsters dagelijks op de weegschaal. Stelselmatig. Dat zijn geen misselijke aantijgingen.

„Ik schaam mij diep. Nooit heb ik bewust de intentie gehad om te slaan, om te schelden, te kwetsen of te kleineren, om ze monddood te maken, om constant denigrerende opmerkingen over het gewicht te maken. Maar het gebeurde wél. Ik sloeg daarin door, dacht dat het de enige manier was om een topsportmentaliteit te kweken. Ik verwijt mezelf dat ik tekort ben geschoten.”

Er was geen moreel kompas, blijkbaar?

„Ik was gedreven, bezeten zelfs. Ik wilde per se winnen, ten koste van álles.

Dat is geen rechtvaardiging, excuus of verzachtende omstandigheid, maar slechts een verklaring. Een gebrek aan sociaalpedagogische kennis zal mij wellicht hebben opgebroken.”

Waarom dacht u dat dit de juiste handelwijze was?

„Toen ik begon, stelde het turnen in Nederland niet veel voor. Ik had geen referentiekader, keek naar het buitenland en dan vooral naar Oost-Europa. Daar kwamen de kampioenen vandaan. Ik kopieerde de aanpak, waarin het er niet zachtzinnig aan toe ging, klakkeloos. Dat is naïef en laakbaar natuurlijk, maar ik meende er goed aan te doen.

Dus stelde ik me spijkerhard op. Mijn wil was wet, tegenspraak duldde ik niet. Ik deed geen concessies en sloot geen compromissen.”

Hoe kon u dit voor zichzelf legitimeren?

„Ik zag mijn fouten niet in, realiseerde mij te weinig dat ik over de schreef ging. Om mij heen zag ik het immers ook gebeuren. Ik stond niet stil bij de scherpe kantjes. De prestaties gingen vooruit, dus maakte ik mezelf wijs dat het de juiste manier van doen was.”

Zag u niet wat het met turnsters deed, tot welke trauma’s het leidde?

„Ik zag ze niet als individuen, maar behandelde ze als een gebruiksvoorwerp, besef ik nu. Ik wilde naar de Olympische Spelen. Ik aasde op medailles bij WK’s en EK’s. Die doelen heiligden alle middelen. Het ontging mij dat ik hun talent daarvoor misbruikte. Ik had geen oog voor de andere kant van de medaille, vroeg mij niet af: is dit wat zij ook willen?”

Wanneer kwam het besef dat u alle perken te buiten ging?

„Toen Renske Endel van de ene dag op de andere zei: ’Ik ga bij je weg’. Ik had het niet zien aankomen, schrok me kapot, dacht: huh, we zijn toch samen een missie aan het najagen?

De breuk zette me aan het denken. Al ging de kentering niet vanzelf. Daar is een periode van zelfreflectie aan voorafgegaan. De transformatie kostte tijd.”

Hoe konden de wanpraktijken uiteindelijk zo lang voortduren?

„In die eerste decennia ben ik nooit terechtgewezen. Niemand nam de moeite om diepgaand met mij van gedachten te wisselen, laat staan te schetsen hoe het wel moet en mij bruikbare handvatten te geven.

Vanuit de bond ontbrak het aan corrigerend vermogen, over pedagogiek werd niet gesproken. Was iemand met kennis van zaken maar de confrontatie aangegaan en had-ie gezegd: ’Zeg vriend, zo doen we dat niet’.

Pas later, toen ik in het buitenland werkte, kreeg ik een spiegel voorgehouden. En werd ik uitgedaagd transparant te zijn. Onder meer doordat trainingen, zoals in Canada, vrij toegankelijk waren voor ouders en mij te verstaan werd gegeven dat ik duidelijker moest gaan communiceren.”

Waar heeft dat toe geleid?

„Ik sta er anders in nu. Het gaat niet langer om mij, maar om de turnsters. Ik faciliteer hen, sta hen bij. Op jonge leeftijd leg ik ze uit wat nodig is, op oudere leeftijd adviseer ik ze – een belangrijk nuanceverschil. Het is hún carrière, ik wijs ze voornamelijk de weg.

Het resultaat doet er voor mij tegenwoordig minder toe, het gaat er vooral om dat de turnsters voldoening hebben in wat ze bereiken. Dus als ze eens een dagje vrij willen zijn, voor bijvoorbeeld een verjaardagsfeestje, dan is dat bespreekbaar – want die ene dag maakt niet het verschil in nadelig opzicht. En bij een pijnlijke grimas of tranen informeer ik wat er aan de hand is, vanuit een positieve grondhouding. Emoties hebben immers een achterliggende reden.

Uit die wisselwerking haal ik mijn plezier en motivatie, terwijl vroeger slechts sportief succes voor genoegdoening zorgde. Ik was destijds afgestompt geraakt, voelde me eenzaam en ontheemd.

Buiten hun schuld om hebben de turnsters zich waarschijnlijk ook verlaten gevoeld. Dat valt de ouders niet aan te rekenen, zij zijn door mijn toedoen buitenspel gezet. Ik tref blaam.”

Wat is eigenlijk de reden dat u juist nu de publiciteit zoekt?

„Ik kan de klok niet terugzetten, maar ik kan wel proberen een bijdrage te leveren aan een veiliger klimaat. Want aan de voorkant is het nog altijd niet goed geregeld, blijkt in andere landen maar dus ook hier in Nederland. De kans op beschadiging is te groot.

Het klopt dat turnsters uitermate doelgericht kunnen werken en op jonge leeftijd meer pijn kunnen verdragen dan jongens. Maar dat moet zich niet vertalen in onnodig pijnigen.

Deze sporters beginnen heel jong, slaan een belangrijk deel van hun jeugd over. Dat is nogal een opoffering. Het plezier en de passie dienen daarom voorop te staan, in ieder geval tot aan de puberteit. Trainen moet op een speelse wijze gaan. Er moet gedoseerd worden. En we moeten ons afvragen of het gewenst is om op zo’n jonge leeftijd al circa dertig uur met ze in de zaal te staan. Die omvang dient wellicht pas in een later stadium te worden gedraaid.

Het systeem moet daarom op de schop, een cultuurverandering is bittere noodzaak. De boog kan niet van kleins af aan gespannen zijn, dat lokt een burn-out of blessureleed uit.

Het gaat erom dat ze pas als senioren volledig ontwikkeld zijn, níet eerder. We moeten af van dat verstikkende prestatieklimaat, van de afrekencultuur op te jonge leeftijd.”

Snapt u dat oud-turnsters, slachtoffers van uw gewraakte aanpak, vinden dat u niet meer in de turnzaal thuishoort?

„Dat begrijp ik donders goed, vanuit hun perceptie. En in zekere zin hebben ze volkomen gelijk. Wat ik heb gedaan, is onverteerbaar. Ik kan het niet rechtzetten, slechts mijn spijt betuigen. Dat heb ik ook gedaan in een persoonlijk gesprek met Stasja Köhler, Simone Heitinga en Renske Endel. En ik ben daartoe ook naar anderen bereid. Alleen: Ik ben niet meer degene die ik was, denk vaak: verdomme, waarom was ik een van die klootzakken? Dat voortschrijdend inzicht zorgt er niet voor dat ik vrede heb met mijn gedrag van toen, maar wel dat ik kan blijven functioneren vanuit een lossere benadering.”

De publiciteit opzoeken rijt oude wonden open. Toch kiest u er bewust voor.

„Wat mij dwarszit, is dat een andere coach en ik er telkens worden uitgelicht. Dat doet geen recht aan de onwenselijke situatie.

Er waren, en zijn, meer coaches die zich hetzelfde (hebben) gedragen. Ik stond naast ze in de zaal, zag dat zij hetzelfde deden waarvan ik nu doordrongen ben geraakt: psychische en fysieke geseling.

Een van hen is bijvoorbeeld nog altijd bij het huidige olympische traject betrokken. Diegene heeft zich niet hoeven te verantwoorden. Binnen de bond is men op de hoogte, maar er is geen actie op ondernomen. Dat wringt en frustreert me.”

De KNGU stelt daarentegen het voortouw te willen nemen in een wereldwijde cultuurverandering.

„Ik wil graag geloven dat de intenties goed zijn. Maar als de turnsport, zoals KNGU-directeur Marieke van der Plas onlangs in een interview zei, in z’n totaliteit door een pedagogische wasstraat moet, dan dien je eerst je eigen wasje te draaien. En dat is tot nu toe niet gebeurd. Volledige openheid van zaken is nooit gegeven en zittende coaches wordt nog altijd de hand boven het hoofd gehouden. Ik vind dat een verkeerd signaal en niet kunnen.

Wil je als organisatie die voortrekkersrol vervullen, dan zul je toch echt eerst intern schoon schip moeten maken. Anders is het symboolpolitiek en louter voor de bühne.”

Reactie Renske Endel, Stasja Köhler, Simone Heitinga:

,,Door te stellen dat het nooit zijn intentie was, zwakt Gerrit Beltman zijn onmenselijke gedrag af. Hij was niet spijkerhard, maar verknipt.

Elke vorm van empathie ontbrak. Anders had zijn wreedheid ook niet ruim dertig jaar voortgeduurd.

Dat het aan de cultuur lag, is onjuist. Beltman wás de cultuur, hij zette de toon in Nederland. Anderen volgden zijn voorbeeld (maar zijn wél verantwoordelijk voor hun grensoverschrijdende gedrag).

De spijtbetuiging, die wij niet zo ervaren, is bovendien te specifiek aan ons gericht. Wij zijn niet de enige slachtoffers, integendeel. Vele andere meisjes trof hetzelfde lot.’’

Meer nieuws uit Sport

Meest gelezen