’Hij grijpt met zijn handen mijn keel vast en tilt me aan mijn nek de lucht in.’ Mishandeld, vernederd en van je identiteit beroofd: dit overkwam topturnsters in Nederland

Marco Knippen

De harde hand van de coach moest resulteren in internationale topprestaties. De oogst is een martelgang voor de sporters, blijkt uit een reeks gesprekken met turnsters. Topturnen in Nederland staat voor angst, vernedering en traumatisering. Het schrikbewind beperkt zich niet tot één coach, één club of één generatie. Het gebeurde toen, en het gebeurt nog steeds. Het begon al op 7-jarige leeftijd.

Tien (ex-)turnsters – de jongste nu 18 jaar en de oudste 41 – schetsen de tirannie, geanonimiseerd en gebundeld per categorie. „Na tien jaar durf ik eindelijk te erkennen dat het niet normaal is wat mij is overkomen.”

FYSIEKE

MISHANDELING

„De opmerking floept eruit, bijdehand misschien maar verder onschuldig: ’De brigadier staat voor me.’ Wat volgt: aan mijn haren word ik door de zaal naar de kleedkamer gesleept.

’Ik kan het niet’, stamel ik. Hij ontploft, schreeuwt: ’Dat maakt me niks uit, je doet het gewoon verdomme.’ Ik verstar, sta aan de grond genageld, durf het alsnog niet. Hij loopt naar mij toe, ik zie de woede in zijn ogen. Eenmaal bij me slaat hij me met een vlakke hand in mijn gezicht.

Opnieuw moet ik het touw vastpakken en omhoog klimmen. De blaren staan op mijn handen. Eenmaal boven verzuren mijn vingers en glijd ik in rotvaart ongecontroleerd naar beneden. Mijn dijbenen zitten vol striemen en schuurplekken, mijn rechterhand bloedt. De coach slaat er geen acht op en zegt: ’Niet aanstellen, nóg een keer naar boven.’

Ik kan geen kant op, zit klem tussen hem en de muur. Hij grijpt met zijn handen mijn keel vast en tilt me aan mijn nek de lucht in, zijn gezicht zo dicht bij de mijne dat ik zijn adem kan voelen. Ik hoor een schraapgeluid, gevolgd door een spuuggeluid, en voel een dikke klodder in mijn gezicht.”

UITSCHELDEN EN

VERNEDEREN

„’Waarom heb je je haar niet in een strak knotje maar in een losse paardenstaart?’, vraagt hij aan mij. Ik houd m’n mond, uit angst. Dan sist hij: ’Ben je een slet of zo?’

Ik krijg een zakje snoep van mijn vader, na een wedstrijd die goed is gegaan. De coach ziet dat. De volgende dag wordt de hele groep bij elkaar geroepen. Ik word ten overstaan van iedereen volledig afgebrand, schaam me kapot en voel me nog kleiner dan ik al ben.

Een oefening gaat niet naar behoren. De hoofdtrainer is boos en roept: ’Ik ben klaar met je, kap er maar mee.’ Ik blijf bedremmeld staan, weet niet wat te doen. Dan passeert de assistent en zegt: ’Kom op, niet treuzelen, springen.’ Ik doe dat en krijg van de hoofdtrainer de wind van voren: ’Ik had toch gezegd dat je moest stoppen, dombo.’

Op zondag heb ik een Nederlandse titel gewonnen. Ik voel me trots. De volgende dag tijdens de ochtendtraining zegt de coach tegen mij: ’Denk nou maar niet dat je iets voorstelt, want dat is níet zo.’

Ik val ongelukkig van de balk, heb pijn. De trainer vloekt me stijf en schreeuwt dat ik er weer op moet. Ik wacht te lang. ’Ga als de sodemieter die balk op, anders doe ik je wat.’

Als gevolg van de stress hebben veel meisjes bepaalde tics ontwikkeld. Vaak maakt de trainer ons belachelijk. Dan gaat hij heel overdreven en debiel ons na zitten doen. Kleineren is zijn methode om je murw te beuken.”

NEGEREN

„Ik moet voor het eerst een nieuw element op de balk doen. Ik blokkeer, en durf daarna niet meer. De trainster draait zich om en gunt mij geen blik meer waardig. Anderhalf uur sta ik daar maar op die balk, bewegingsloos.

Een meisje verstapt zich. Ze heeft pijn, kan nauwelijks staan, de tranen staan in haar ogen. Ik vraag hoe het gaat. Dan draait de coach zich naar mij toe. ’Hou eens op jij, zij is onze aandacht niet waard.’

Een kampioenschap is niet goed gegaan, de prestaties bleven achter bij de verwachting. De volgende dag krijg ik de volle laag. De dagen erna wordt geen woord met mij gewisseld. Ik ben uit de gratie, doe er voor hem niet toe.

Een ander meisje moet huilen. Wij zien het allemaal, maar mogen haar niet troosten – sterker, we moeten haar de rug toekeren. ’Janken is voor watjes’, blaft de coach. ’Ik wil je daarom niet meer zien, ga maar naar de kleedkamer.’

Ik ben van de ene club naar de andere overgestapt. Als ik de zaal binnenkom, zie ik de andere meisjes als dooie mussen op de mat zitten. Niemand zegt iets tegen elkaar, het is doodstil in de zaal en de trainer zit verstopt in zijn hokje. Ik ga erbij zitten, houd ook maar mijn mond, en denk: hij zal me zo wel aan de groep voorstellen. Nee dus, een introductie blijft uit. Als het kennelijk tijd is, staan ze op en gaan ze rondjes rennen. Ik ren mee, beduusd dat dit mijn welkom is. Ik voel me meteen een nummertje.

Ik heb last van mijn rib. In het ziekenhuis wordt een stressfractuur geconstateerd. Als ik dat op de training aan de trainer laat weten, zegt hij ’leuk’ en loopt weg.

Tijdens de laatste training van de week ben ik moe. Ik heb nog een vloeroefening te gaan, maar verzamel al m’n moed en zeg dat ik bekaf ben. Ik krijg te horen: ’Je gaat het gewoon doen.’ Ik gehoorzaam, maar een gevoel van onveiligheid bekruipt me. Want hoewel ik de ogen in m’n rug voel priemen, laat hij me volkomen aan m’n lot over.”

MANIPULEREN EN

MACHTSMISBRUIK

„Op een gegeven moment willen m’n beste vriendinnetje en ik tegelijk met turnen stoppen. De trainer krijgt dat in de gaten en verbiedt ons nog langer met elkaar op te trekken. Omdat wij volgens hem een slechte invloed op elkaar zouden hebben.

Tijdens een trainingsstage zijn andere coaches aardig en grappig naar mij toe. Zo kan het dus ook, denk ik. Dan valt me op dat mijn trainer hetzelfde doet naar de meiden van die andere clubs, terwijl hun eigen trainer ze vervolgens staat uit te foeteren. Even later heeft mijn eigen coach het ook op mij gemunt.

Het ene moment prijst hij je de hemel in, een andere keer trapt hij je de grond in. Dan is hij charmant, vervolgens weer boos. Zo brengt hij je constant in verwarring, stoot hij je af en trekt hij je aan. Daarom kan ik hem niet haten, maar ik ben wél altijd bang voor hem.

Zijn stem slaat over, uit frustratie. ’Ga dan huilen, trut!’ Ik reageer niet, waardoor hij nóg kwader wordt. Mijn gevoelens zijn uitgeschakeld, het laat me koud, ik kan niet meer geraakt worden. Het enige wat ik denk: ’Dat ga ik dus echt niet doen.’ Eindelijk kan hij me eens niet de baas zijn.

Altijd is er een stemmetje dat zegt dat ik niet mag opgeven. Hier heb ik mijn hele leven voor getraind, toch? Dit levert een enorme tweestrijd op die ik niet kan winnen, en maakt mij chantabel voor gestoorde coaches.

Een (bonds)coach kan je maken of breken. Zelfs als je aan de kwalificatiecriteria voldoet, kan het zijn dat je wordt geslachtofferd. De spelregels worden achteraf veranderd, juryleden beïnvloed. Zo ben ik belangrijke kampioenschappen misgelopen.

Ik zie een briefje op de deur van de turnzaal geplakt, voor het begin van de middagtraining. Er staat op:

Welkom in het revalidatiecentrum van (clubnaam). Linksaf: fysieke revalidatie. Pak het schema van je ’peut’, loop naar het geschikte trainingsapparaat en ga aan het werk. Rechtsaf: voor mentaal gestoorden. Heb een goed gesprek of lees een boek. Rechtdoor: voor diegene die een technische aanwijzing wil.

ISOLEREN

„Niemand anders wordt in de zaal toegelaten, je bent afgesloten van de buitenwereld. Ouders zijn niet welkom, een arts of fysiotherapeut bij hoge uitzondering. Maar als die dan kritiek uiten, zijn ze weg en zie je ze ook niet meer terug. Zoals toen die ene arts mompelde: ’Dit is pure kindermishandeling.’

Omdat buitenstaanders niet welkom zijn, krijg je nooit een terugkoppeling of iets deugt of niet. Je voelt je misbruikt en je vertrouwen wordt telkens beschaamd, maar je weet niet beter en begint het te normaliseren. Het hoort kennelijk zo te gaan, denk je. Daarbij is de coach door de vele trainingsuren een surrogaatouder en heeft-ie een voorbeeldfunctie. Zodoende ontstaat er ook nog eens een loyaliteitsconflict.

Het verborgen leed van eenzame opsluiting is gedeeld verdriet. Jij weet dat je het pispaaltje kunt zijn, alleen niet wanneer. De anderen hebben hetzelfde gevoel. Daarover wordt onderling niet gepraat. Met je ouders bespreek je het zeker niet, iets wat er vanaf het begin af aan wordt ingestampt. Je mond opentrekken, leidt tot straf. En je weet: wat er ook gebeurt, de trainer zal benadrukken dat het jouw schuld is.

Je laat het wel om uit de school te klappen, uit angst voor represailles. Misstanden vallen immers doorgaans niet te bewijzen, want het gebeurt achter gesloten deuren. Bovendien geldt de ongeschreven regel: wat in de zaal gebeurt, blijft in de zaal. Dus stop je het weg, houd je je kaken stijf op elkaar.”

ANGSTCULTUUR

„Je bent continu in de greep van stress. ’s Avonds val je niet in slaap omdat je zenuwachtig bent voor de trainingen van de volgende dag. En de volgende ochtend ga je met lood in de schoenen naar de hal.

Je bent voortdurend alert, let op zijn lichaamstaal en gedrag. Sloft hij de zaal in, dan weet je: hij heeft er geen zin in, dit wordt afzien. Roetsjt hij de lichten aan, dan denk je: Oh my God, hij is in een rothumeur.

Je zwemt in een soort van fuik. Je weet dat je het te verduren krijgt, maar kunt niet terug. Dus onderga je het, bijna als een robot, beheerst door angst.

Ik haat de trainer echt, maar het komt niet in je op om weg te blijven, vanwege je jonge leeftijd en omdat – in mijn geval – ouders die te veel pushen omdat hun kind talent heeft.

Turnen wordt het enige houvast in je leven; door de vele trainingsuren, het hersenspoelen door trainers en de bijkomende isolatie bestaat er niks anders meer. De turncultuur is vertrouwd geworden, ook al is het verre van veilig. Dit maakt je eenzaam en doodongelukkig.

Brug vind ik een eng toestel, omdat ik niet zoveel knijpkracht heb. Maar de trainer staat me niet toe om de bruglegger minder glad te maken door er water of magnesium op te smeren. Dat is maar tijdverspilling, vindt hij. Levensgevaarlijk, omdat je – zeker als je geen leertjes hebt – uit de brug kan schieten en op je nek kan landen.

Het is altijd doodstil in de zaal. Niemand spreekt met elkaar, de muziek mag niet aan. We durven elkaar zelfs niet aan te kijken. Uur na uur, dag in dag uit. Uit angst voor een woedeaanval.”

BLESSURELEED EN

FYSIEK ONGEMAK

„Tijdens een kwalificatietoernooi glijd ik van de brug en val ik hard op de grond. Mijn knie zwelt op en mijn scheenbeen wordt blauw. Ik verga van de pijn, kan geen normale pas zetten. ’Loop eens normaal joh’, is het enige dat de coach zei. Ik móet door, stoppen is geen optie.

Tijdens een EK raak ik depressief. Ik slaap nauwelijks meer, lig de hele nacht te woelen. De dag van de finale voel ik me bij het opstaan duizelig, slapjes en tril ik over mijn hele lichaam. Ik laat het weten aan de bondsarts. Ze neemt mij niet in bescherming en zegt slechts: probeer maar gewoon de warming-up te doen, als het niet erger wordt kun je gewoon de wedstrijd in. Tijdens de wedstrijd vind ik onvermoede krachten en blijf ik op de been door energiedrankjes. Het gaat voor geen meter, maar het enige wat ik denk is: Ik moet ook die volgende oefening zien door te komen.

Ik breek mijn rechtervoet als gevolg van overbelasting. De klachten verergeren, maar de fysiotherapeut wuift het weg, vind dat er niets aan de hand is. De coach zegt bovendien: pijn is een mentale kwestie. Een jaar later overkomt mij hetzelfde met mijn linkervoet; ik schiet in de stress. De enige gedachte die ik heb: ze geloven me toch niet, dus als ik het zeg krijg ik op m’n falie.

Ik raak tijdens de training ernstig geblesseerd en lig kreunend op de grond. Ik kijk recht in de ogen van de trainster aan de andere kant van de vloer. Ze blijft roerloos zitten, alsof ik mij aanstel. Mijn trainer vloekt, haalt een icepack en smijt die naar mijn hoofd. Niemand komt naar me toe, dat is hier verboden. Omdat een trainingsmaatje nog haar oefening moet doen, schreeuwt mijn trainer: ’Rot op, je ligt in de weg.’ Ik strompel, steunend aan de balletbar, naar de kleedkamer. Dan barst ik in huilen uit en bel mijn moeder. Zij haalt mij op en brengt me naar het ziekenhuis.”

EET- EN GEWICHTSPROBLEMATIEK

„Vier keer per dag moeten we op de weegschaal staan, voor en na de training. Als je niet bent afgevallen, krijgt iedereen te horen dat je niet hard genoeg hebt getraind. Elke ochtend durf ik alleen maar water te drinken, bang om dik te worden.

Donut, puddingbroodje, muffin, dikke koe, vet varken, zeug. Deze woorden komen telkens terug om je duidelijk te maken dat je niet dun genoeg bent. Echt álles wordt aan gewicht gerelateerd. Je gaat ernaar leven, durft op een gegeven moment niets meer te eten. En ook niet te drinken, wat weer tot uitdroging leidt.

Ik ben zo bang voor de weegschaal dat ik voor het wegen eerst een vinger in m’n keel steek. Als ik word gewogen, zit de trainster opzichtig te eten.

Ik probeer de toorn van trainers te voorkomen. Dat betekent dat ik niet in de positie wil komen dat ik commentaar krijg. Zo stop ik zelf met eten om niet te horen te krijgen dat ik te dik ben. Een eetstoornis is het gevolg.

Hebben we een wedstrijd gehad en rijd je met de coach mee terug, dan kun je er vergif op nemen dat er bij een tankstation wordt gestopt. Niet om te tanken, maar om twee Snickers te kopen. Die zijn niet voor mij of een andere turnster bedoeld, maar voor haarzelf. De reep eet ze in de auto op, waar wij bij zitten.

De angst om zoetigheid te eten zit zo diep, dat alles in het geniep gaat. Wij draaien een vol potje Nutella voorzichtig open, het cellofaan maken we een klein beetje los, we nemen een mespuntje chocopasta, strijken het weer strak, duwen het cellofaan terug en zetten het potje op dezelfde plek terug. Het blijkt voor niets te zijn, het wordt ontdekt.

Ik rust uit op de grond, de coach zeikt mij af: ’Hoe langer je met je reet op de mat blijft zitten, hoe dikker je wordt.’

De trainer bestempelt een meisje uit de groep tot rolmodel. ’Neem een voorbeeld aan haar.’ Zij lijdt aan anorexia. De boodschap heeft dus een dubbele betekenis: haar maakt hij duidelijk dat ze ziek moet blijven, ons wordt verteld dat wij op een ongezonde manier met het lichaam om moeten gaan.”

GETEKEND VOOR HET LEVEN

„Je bent van je identiteit beroofd, voelt je een mislukkeling, ontwikkelt een sociale angst. Leven wordt overleven. Omdat turnen het enige is wat je had, wordt het dagelijks bestaan leeg en doelloos nadat je stopt.

De sporen die het achterlaat, zijn dieper dan een identiteitscrisis. Omdat je al zo jong van je persoonlijkheid wordt beroofd, blijf je maar vastlopen. Je voelt je geen mens, maar een object. Bent niets waard, volgens jezelf. Want dat heb je immers altijd te horen gekregen.

Bijna elke nacht heb ik nachtmerries. Altijd speelt de coach daar een negatieve rol in, voel ik mij onveilig. Ik word in paniek wakker.

Door de mentale terreur heb ik niet voor mezelf leren opkomen, kan ik niet zijn wie ik wil zijn. Iedere dag heb ik daar last van, naast alle schuldgevoelens die mij achtervolgen.

Na tien jaar durf ik eindelijk voor mezelf te erkennen dat het niet normaal is wat mij is overkomen. Ik snap daardoor beter waar al mijn klachten vandaan komen. Ik ben hard aan het werk om mijn trauma’s te verwerken, vertrouwen in mijn lichaam te krijgen en een eigen persoonlijkheid te ontwikkelen.

Ik voelde mijn eigen grenzen niet meer aan, ben er finaal overheen gegaan. Zo erg dat ik opgebrand, depressief en uitgeput was toen mijn lijf – godzijdank – ermee ophield, ik geblesseerd raakte en m’n turncarrière over was. Nu, vele jaren later, ben ik nog steeds niet hersteld van de vermoeidheid en de depressiviteit, met als gevolg dat ik arbeidsongeschikt ben.

Een Post Traumatisch Stress Syndroom (PTSS) is bij me vastgesteld. Ik kan overvallen worden door extreme vermoeidheid en kamp met depressieve klachten. Ik ben ervoor in behandeling, het gaat met vallen en opstaan.

Ik kan moeilijk functioneren in de samenleving. Relaties aangaan lukt mij niet, omdat ik mensen niet meer vertrouw. Het contact met mijn ouders is verstoord geraakt. In elk gesprek dat ik voer, ben ik bang dat de ander boos wordt of dat ik word terechtgewezen. Simpele verzoeken leiden tot een schrikreactie, omdat ik bang ben niet aan het verwachtingspatroon te voldoen. Ik vind mijzelf nog altijd te dik, schaam me voor mijzelf en dus heb ik moeite met intimiteit.”

Meer nieuws uit Sport

Meest gelezen