Marina de Haan over het gesprek dat haar ouders nooit met haar hoefden te voeren

Ik ben de dochter van een Amsterdammer en een Caribische vrouw uit Curaçao. Ik ben 33 jaar, reisde de wereld rond en woonde in steden als Haarlem, Davos en Sydney. Ik ben nog nooit uitgescholden op straat of belaagd vanwege mijn huidskleur.

Mijn ouders hoefden het gesprek nooit met mij te voeren. Het gesprek waarin ze vertellen dat ik twee keer zo hard moet werken dan witte mensen. Het gesprek waarin ze zeggen dat ik mijn kleur tegen me heb. Ze hoefden me niet te waarschuwen dat mensen tegen me zeggen: ’wat praat je goed Nederlands’. Of: ’je bent best mooi voor een gekleurde’.

Nee, ze hoefden dat nooit te zeggen.

Want al ben ik de dochter van een Caribische vrouw, ik ben nogal wit uitgevallen. Mijn benen zijn als melkflessen, zeg maar. Maar vrienden van mij hebben dat gesprek wel gehad. Vrienden van mij worden van alles genoemd op straat, zij worden uitgescholden zonder reden, behalve de kleur van hun huid. Als ik met vriendinnen de supermarkt in ga, dan nemen zij een mandje mee, want ‘straks denken ze dat we stelen’. Ik neem nooit een mandje mee.

Maar mijn mooie moeder wordt afgesneden in winkels, witte mensen geven haar afkeurende blikken, buren schreeuwen dat ze terug moet naar haar eigen land. Racisme is subtiel in Nederland, maar het is er wel degelijk. En wit privilege is er ook.

Ik hoop dat dit een tijd is waarin we empathisch en geduldig (leren) luisteren naar elkaar. Dat we de hele mensheid liefhebben. Ik hoop dat dit niet enkel woorden zijn, dat we niet enkel de trend volgen. Ik hoop vurig dat we voor elkaar opkomen.

Want racisme moet stoppen. Dit moet écht stoppen.

Meer nieuws uit Kennemerland