Premium

Lopen door leeg Zuiderzeemuseum en herinneringen ophalen: Plassende jongens in de zaterdagse teil

Lopen door leeg Zuiderzeemuseum en herinneringen ophalen: Plassende jongens in de zaterdagse teil
Ton Laan uit Nibbixwoud met gids Anneke Zandt in het huisje aan het Keern in Hoorn.
© Foto Mediahuis.
Enkhuizen

Het snoepwinkeltje waar je als kind een rolletje drop haalde voor tien cent. Het wasbord waar je noodgedwongen je vingers op stuk schrobde, de poepdoos boven de bevroren sloot of die bedstee, waar je met z’n drieën zo warm en veilig lag als kind.

Het Buitenmuseum in Enkhuizen is één bron aan herinneringen, zelfs als het er in deze coronatijd helemaal verlaten bij ligt. Wanneer het weer open gaat voor publiek is nog onzeker. Dat maakt het lopen door de straatjes met gids Anneke Zandt van het Zuiderzeemuseum, die over ieder hoekje of gaatje wel iets weet te vertellen, nóg specialer voor NHD-lezers Ton Laan uit Nibbixwoud en Trudy Quakernaat uit De Goorn.

Lopen door leeg Zuiderzeemuseum en herinneringen ophalen: Plassende jongens in de zaterdagse teil
Ton Laan werd geboren in een boerderij op het Keern in Hoorn, waar ook veel bedstedes waren.
© Foto Mediahuis

Ton is geboren op een boerderij op het Keern in Hoorn, in een gezin met zestien kinderen. En veel bedstedes, waar al die kinderen heerlijk sliepen. Op zaterdagmiddag in de teil, in water dat vanzelf warm bleef door al die plassende jongens die na elkaar gesopt werden in hetzelfde water. Kleding werd doorgegeven tot het versleten was en eigen speelgoed, dat had je niet. ,,Wij waren de jongsten, wij sliepen onderop op stromatrassen die je ’s nachts wel eens nat plaste. Met de deuren dicht, ja.’’

Privacy was een woord dat ze in die tijd niet kenden, legt gids Anneke uit. ,,Je woonde en sliep allemaal in dezelfde ruimte. Als vrouw waste je je gewoon aan het aanrecht, je terugtrekken was er niet bij.’’ Maar Ton heeft geen slechte herinneringen aan zijn jeugd. ,,Je miste niets.’’

De duivel

Breed waren de bedstedes van toen niet, getuige het Wervershover huis met de schuitenhelling, waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan. Dat was ook niet nodig. Anneke: ,,Ze zaten rechtop te slapen, want achterover leunend ging je dood en de duivel haalde je ziel.’’ Gezien het zoute eten en dus de hoge bloeddruk in die tijd was rechtop slapen misschien ook nog niet zo’n gek idee.

Ton weet het nog goed: het eten aan de lange tafel met op de kop drie kleintjes, de oudere zussen die hem kleedden en naar bed brachten. ,,Toen de jongste geboren werd, was de oudste al uit huis en een paar broers zaten in dienst.’’Het boerenhuisje van de kleinzoons van Jan de Haan, dat van het Keern afkomstig is, herinnert hij zich nog wel. ,,Wij woonden helemaal aan de andere kant van de straat.’’

In de boerderij uit Zuiderwoude is de zomerstal ingericht. ,,Dat hadden wij in de zomer ook. Als de koeien van stal waren, hadden wij wat meer ruimte in huis.’’ En ook hier de bedstedes. Anneke: ,,In sommige zaten ventilatiegaten, maar of dat nou per se was voor frisse lucht voor de kinderen...’’

Tien jaar terug liep Ton ook al eens door het Buitenmuseum. Trudy Quakernaat is er nog niet eerder geweest. Zij verwondert zich over wat dit bezoek aan herinneringen ophaalt in haar niet altijd gladjes verlopen leven. Als zestienjarige moeder boog zij zich al over de wastobbe om de poepvlekken uit de luiers te schrobben. ,,De dokter aan de deur vroeg naar mijn moeder. Ik was zelf die moeder.’’

Nu geniet ze van het bezoek aan de stoomwasserij. Zelf werkte ze in een wasserij tot ze vanwege haar zwangerschap werd ontslagen. Het verhaal over eigenaar Van der Kamp, die zijn kinderen verbood te trouwen, het zware werk van de spoelers, de ammoniak van de koeien die nodig was voor het logen; het roept allemaal herinneringen op. ,,Ik werkte bij een grote wasserij in de Vollerswaal.’’

,,Ik dacht: als ik eenmaal getrouwd ben, kan ik zelf koekjes kopen. Maar toen had ik daar helemaal geen geld voor.’’ Dat lag genuanceerder bij het gezin Vis-Duivis, dat een chique handelshuis bewoonde aan de gracht. Trudy kijkt haar ogen uit in de kamer met de piano, het vele speelgoed en een eigen kamenier. Maar ook achter dit verhaal gaat een tragedie schuil. Anneke: ,,Zij verloren een zoon, hij was op handelsreis, zij zat thuis en uit de brieven maakten we op dat ze uit elkaar groeiden. In 1906 zijn ze gescheiden, heel bijzonder voor die tijd.’’

Het water als levensader, het spoelt overal tussendoor, ook langs vrijwel alle huisjes in het nu zo lege Buitenmuseum. Anneke vindt het een mooie symboliek als ze wijst naar het huis. ,Kijk, de spoelplek en de poepdoos vlak naast elkaar aan de sloot. Ze hoopten gewoon dat het vuile water de andere kant op stroomde. Ach, zo ging dat in die tijd.’’

Om de hopen poep heen

Het leek een goede uitvinding, de poepdoos boven de sloot. Maar in de winters dat het flink vroor, piepten de dorpelingen wel anders.

(tekst loopt door onder foto)

Lopen door leeg Zuiderzeemuseum en herinneringen ophalen: Plassende jongens in de zaterdagse teil
Ton Laan bij een poepdoos in het Zuiderzeemuseum.
© Foto Mediahuis

Nibbixwouder Ton Laan weet het nog goed. ,,Wij hebben eens een toertocht door Twisk gemaakt. Onder de poepdozen langs de sloot lagen grote hopen poep. Dat werd hard, omdat het vroor, het begon pas testinken als het begon te dooien.

In de steden werd eerder riolering aangelegd dan op het platteland, onderstreept gids Anneke Zandt. ,,Ik weet wel dat bijvoorbeeld in Enkhuizen bij gunstige wind de sluizen opengezet werden. Dan spoelde de zee door de stad, begin twintigste eeuw. Want reken maar dat het stonk, al die poepdozen boven het water.”

In gebieden waar geen water of sloot was, kwam de ’boldootkar’ (vernoemd naar de bekende eau de cologne) de vaak tot de rand gevulde tonnetjes ophalen. ,,Dat was nog een heel gedoe. Daar werd niemand blij van, als die hotsend en klotsend door de straten reed. In vissersdorpen waren ze trouwens wel blij met deze ’mest’, want daar hadden ze geen koeien.

Ton Laan weet nog goed dat hij als jochie op de poepdoos ging. ,,Als de emmer vol was gooiden we die gewoon in de ’ierkelder’ zoals wij het noemden. ,,Of het ging op de grote hoop. Een nachtspiegel hadden we niet hoor, wij jongens deden gewoon een plas over de schutting, achter de koeien.’’ Ook Trudy Quakernaat herinnert zich nog de poepdoos buiten. ,,Als het vroor vond ik dat vreselijk, want dan bleef het liggen...’’

Rood babykontje

De vellen aan je vingers schrobde je op het wasbord. In de wasserij was het hard werken en meisjes onder de vijftien mochten niet sorteren vanwege de ’onbetamelijke vlekken’ die er in de was konden zitten.

(tekst loopt door onder foto)

Lopen door leeg Zuiderzeemuseum en herinneringen ophalen: Plassende jongens in de zaterdagse teil
Trudy nog één keer aan het wasbord.
© Foto Mediahuis

De wastobbe roept bij veel oudere lezers herinneringen op. Maar niet alleen de tobbe, waarin Anneke Helder uit Wognum als kind met haar broertje zat. Ook het wasbord waar menige huisvrouw mee worstelde, de bleek die de vlekken uit het witgoed moest halen en de klopper waarmee Sunlight (’veel West-Friezen zeiden ’Sunlicht’) tot sop werd geklopt. Want een lekker vet wasje waste het beste.

De schoonmoeder van Marja Bosschert, geboren op 31 december 1908, trouwde als verwend jong meisje in 1930, kreeg snel een paar kindjes en moest aan de was. Dat zware werk was zij helemaal niet gewend: de vellen hingen aan haar vingers.

Pas toen ze, met een gezin met elf kinderen, een wasmachine kreeg, ging het beter. De wasmachine was sowieso in de jaren vijftig een uitvinding waarmee het leven van huisvrouwen werd verlicht, zo weet museumgids Anneke Zandt. Voor die tijd was het leven zwaar en maandag was wasdag. ,,Hele dagen was je met de was bezig.’’

Daar weet Trudy Quakernaat uit De Goorn alles van. Zij werd op haar zestiende moeder, hoopte te ontsnappen uit het grote gezin, maar haar wachtte een zwaar leven. Ze kookte de poepluiers en legde ze te drogen op de bleek. En het rode kontje van haar baby werd ook beter door de was extra te spoelen. Want je moest alles leren.

Geinen in de bedstee

Gluren door de gordijntjes in de bedstee van opa en oma, giechelen met je zusters of ze pesten door ze te lanceren. Of gewoon die geborgenheid.

(tekst loopt door onder foto)

Lopen door leeg Zuiderzeemuseum en herinneringen ophalen: Plassende jongens in de zaterdagse teil
Vrouw in de bedstee op een schilderij in het Zuiderzeemuseum.

Beestjes die door de spleten van het hout kropen, zoals Lies Brilman ervoer en het bedbordje van Corrie Bos, die in een bedstede geboren werd. Veel lezers van het Noordhollands Dagblad hebben goede herinneringen aan de bedstee.

Arie Bax uit Hoorn sliep in de jaren vijftig als kleine jongen in de bedstee, waarin zijn oma het eten warm hield onder de dekens. In de winter was het heerlijk, in de zomer bijna niet uit te houden. Hij sliep met vier personen in een klein kamertje met als enige ventilatie een raampje van 30 bij 50 centimeter. „Echt gezond kan het niet geweest zijn.”

Timmerman

Margriet Groenewoud sliep als kind in de bedstee, waar haar vader als timmerman nog een verdieping op had getimmerd. Dus dat was geinen met zeven meiden in huis. „Het was een geborgen plek, je sliep er nooit alleen. We hebben er veel gelachen en geruzied.” Met haar twee meter lange man was nostalgisch slapen in de krappe bedstee overigens geen onverdeeld succes.

Hanneke Vingerhoed sliep bij opa en oma in Venhuizen in de bedstee. Een gezellig knus kamertje, waar opa ook gewoon sigaren rookte. „Ik moet er nu niet aan denken, maar ik zou het nog wel eens willen terugdraaien.” Femmy Bosch herinnert zich vooral de voorkamer, die vol visite zat als de twee zusjes naar bed moesten. „Stiekem volgden wij door een spleetje alles wat er in de kamer gebeurde.” De bedstee in het ouderlijk huis van Ernst Julius Franken werd gebruikt voor gasten of evacués. „Het had een luchtgat in het plafond en een plank.” Eronder werd voedsel bewaard. In de oorlog, waarin moeder in de bedstee drie baby’s kreeg, sliep er ook familie uit Amsterdam.

Kees de Kramer sliep bij kennissen van zijn tante in Broek op Langedijk in de bedstee. Aan de andere kant van de kamer stonden de paarden vast aan een ijzeren ring. „Dat was wel het mooiste!”

Marijke Aker sliep met haar oudere broer en jongere zus samen inde bedstee. „Mijn ouders sliepen in het opklapbed in de kamer. Onder de bedstee was een luik naar de kelder met inmaakpotten met groenten. Ik moest regelmatig de kelder in om te voelen of een deksel los zat. Dat aten we die dag.”

Sinterklaas

Corrie Bos: „Mijn broers sliepen in de bedstee en ik in een kinderledikantje. Toen ik daar te groot voor werd, sliepen de jongens op een matras op zolder en ik in de bedstee. Daar zaten twee smalle deuren voor, die ’s avonds dichtgingen. Als mijn ouders naar bed gingen, werden ze opengezet. In de Sinterklaastijd probeerde ik door een kiertje te kijken, wat mijn moeder zat te naaien. Mijn opa die goed kon timmeren, had een bedbordje gemaakt, om eten en drinken op te zetten, voor als je ziek was.”

Lies Brilman herinnert zich de bedstee onder de hooiberg van haar tante en oom in Andijk. „Dat was nog heel spannend, want er kropen allerlei beestjes door de houten spleten. Ook hoorde ik natuurlijk door de deuren naar de zitkamer, alle geluiden die hier gemaakt werden.”

Meer nieuws uit West-Friesland

Meest gelezen