Binnenlandse Strijdkrachten raken op 5 mei 1945 nog in gevecht met de Duitsers: ’De kogels vlogen om mijn hoofd en ik dacht: zal ik nou nog kapotgeschoten worden?’

De putten voor springladingen in de Waterlandse Zeedijk.
© Archief
Schellingwoude

Omdat het 75 jaar na de bevrijding is, plaatsen we nogmaals een artikel uit 2004.

Lees hier alle verhalen over 75 jaar bevrijding

Als het aan de Duitsers had gelegen, was Waterland aan het einde van de Tweede Wereldoorlog veranderd in een binnenzee. Maar waar die opzet in de Wieringermeerpolder wel slaagde, bleef Waterland eenzelfde lot bespaard.

Mede dankzij de inspanningen van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS), die op 5 mei in Schellingwoude nog in gevecht raakten met de bezetter.

Matthijs Porsius (79 in 2004) en Willem Hulsegge (78 in 2004) waren erbij, evenals koerierster Alie Tromp (79 in 2004).

,,Wat wij heel graag willen, is dat het verhaal nu eens een keer goed verteld wordt'', begint Matthijs Porsius. Ze zijn bijeengekomen in de huiskamer van Alie Tromp in Amsterdam-Noord, waar eigenlijk niets meer herinnert aan de verschrikkingen van toen.

De wens van Porsius is ook die van zijn vrienden. ,,De verhalen van verzetsstrijders zijn in de loop der jaren alsmaar mooier geworden'', zegt hij. ,,Ze stroken niet meer met de werkelijkheid, althans niet met de werkelijkheid zoals wij die beleefd hebben.''

Kromme tenen

Meer dan eens zaten ze met kromme tenen te luisteren als er op verjaardagen weer herinneringen opgehaald werden aan de oorlog. Porsius: ,,Het werd eigenlijk elke keer erger. Op een gegeven moment zou Willem bij het vuurgevecht op de Waterlandse Zeedijk zelfs een Duitser zijn oor er afgeschoten hebben. Terwijl hij helemaal niemand geraakt heeft.''

Dat kan Hulsegge alleen maar beamen. ,,Ik heb wel geschoten, maar de kogel ging vlak langs hem heen.''

Ook in verschillende kranten verschenen in de loop der jaren verhalen van verzetsmensen die meer dan eens een loopje met de werkelijkheid namen. Volgens Porsius heeft het echter weinig zin om man en paard te noemen. ,,De meeste van hen zijn inmiddels dood en het is ook helemaal niet onze bedoeling om ze nu een trap na te geven.''

Wat Porsius, Hulsegge en Tromp wel willen, is hún eigen verhaal zo goed mogelijk vertellen. Waarbij ze overigens ook meteen de hand in eigen boezem steken. ,,Het is bijna zestig jaar geleden, dus ook wij zijn ongetwijfeld bepaalde dingen vergeten. En er zijn ook dingen gebeurd die je op het moment niet goed begreep, maar die je later pas duidelijk werden. Doordat je er van andere mensen iets over hoorde of doordat je er over las.''

Sabotage

Soms is het moeilijk om al die dingen te scheiden. ,,Daarom vertellen we het verhaal nu ook met zijn drieën. Kunnen we elkaar aanvullen en verbeteren.''

Toen de oorlog uitbrak, woonde Porsius nog bij zijn ouders in Tuindorp-Nieuwendam. Na de relatief rustige eerste oorlogsjaren, begon hij zich met een aantal leeftijdsgenoten vanaf 1943 geleidelijk aan te verzetten tegen de Duitsers.

,,We stonden onder leiding van iemand die Daan heette en die ons opdrachten gaf waar en wanneer we bepaalde sabotageopdrachten moesten uitvoeren. Dat gebeurde nogal ongeorganiseerd en was dus gevaarlijk'', vertelt Porsius. ,,Na een tijdje werd ik benaderd door Wiet Abercrombie, een vriend van mijn oudere broer, die me daarop wees en voorstelde om toe te treden tot het gewapend verzet.''

Hij zei eigenlijk zonder nadenken meteen ja. ,,In eerste instantie vind je jezelf een hele bink, pas later kom je erachter dat het heel gevaarlijk is. Maar dan is er eigenlijk geen weg terug meer. Dat werd ook gezegd door andere verzetsstrijders: 'desnoods schieten we je dood'.''

Wiet Abercrombie in 1983 bij zijn bedrijf in Uitgeest.
© Archief

Jeugdvriend Porsius trad toe tot de BS-groep 'Waterland', onder bevel van Wiet Abercrombie, en ontmoette op die manier ook weer zijn jeugdvriend Willem Hulsegge.

,,In het voorjaar van 1944 was ik ontslagen en was mijn Ausweis ongeldig geworden. Daardoor liep ik het risico gepakt te worden voor de Arbeitseinsatz en naar Duitsland gestuurd te worden.''

Liever ging Hulsegge in het verzet. Die kans kreeg hij toen hij in de zomer van 1944 daarvoor benaderd werd op straat. ,,Kort daarop werd ik naar de bakkerij van Abercrombie in Nieuwendam gebracht. Ik kwam ook bij de BS-groep 'Waterland'. Samen met Matthijs en Jaap Lageweg kreeg ik de opdracht om wapens te vervoeren en voor het onderhoud van de wapens te zorgen.''

Dat wapenarsenaal bestond uit Lee Enfield-geweren, stens, brens, revolvers, bazooka's, handgranaten en munitie. ,,Die werden gedropt in de weilanden rond Purmerend en van daaruit eerst naar de bakkerij van Abercrombie gebracht. Wij drieën moesten ze daar weer weghalen en op een voor de Duitsers onvindbare plaats verstoppen.''

Wapens

Dat werd een hooiberg op het erf van de boerenfamilie Breedijk in Durgerdam. ,,Met een hooischep maakten we in het midden een gat van anderhalve meter in omtrek en daar lieten we de wapens in zakken. Vervolgens vulden we het gat weer op met hooi.''

De jongemannen bleven ook op de boerderij. ,,Om de wapens schoon te houden, maar ook om te voorkomen dat de boerderij in de lucht zou vliegen. Er was namelijk altijd het gevaar van hooibroei, waardoor de hooiberg vlam kon vatten met een ontploffing tot gevolg. Dus hielden we de temperatuur in hooiberg nauwlettend in de gaten.''

De wapentransporten waren ook hachelijke ondernemingen. ,,We gebruikten daarvoor een bakkerskar en dat moest overdag, want na spertijd kon je niet met zo'n kar over straat denderen. Maar het gevolg was wel dat uitgehongerde mensen bij je kwamen smeken of ze alsjeblieft een stukje brood mochten hebben. En dan kon je natuurlijk niet zeggen dat je geen brood maar wapens in die kar had...''

Alie Tromp maakte overigens geen deel uit van de BS-groep van Abercrombie, maar zorgde als koerierster wel voor de onderlinge contacten tussen de verschillende groepen. ,,Ook bracht ik illegale blaadjes voor het verzet rond. Vooral Trouw, maar ook het Parool'', vertelt ze.

Willem Hulsegge (links) en Matthijs Porsius voor de boerderij van Zwart in Schellingwoude, waar ze aan het einde van de Tweede Wereldoorlog verbleven. ,,Met kijkers hielden we in de gaten wat er allemaal op de dijk gebeurde.''
© Archief

In de laatste weken voor de bevrijding ging het er om spannen. De BS-groep van Abercrombie verhuisde naar de boerderij van Zwart aan de Wijkergouw in Schellingwoude, terwijl een tweede groep onderdak kreeg in de naastgelegen boerderij van Piet.

Eigenlijk had daar ook nog een groep uit Purmerend bij moeten komen, maar die was op 28 februari 1945 al opgepakt door de Wehrmacht.

Op 8 maart werd deze hele groep in Amsterdam gefusilleerd, als represaille voor de aanslag op Rauter, een hoge Duitse officier.

De Binnenlandse Strijdkrachten hadden in Schellingwoude een belangrijke taak. ,,Schellingwoude was strategisch heel belangrijk. Vlakbij lagen de Oranjesluizen en het kamp Zeeburg. Dat werd op dat moment gebruikt door de Wasserschutzpolizei en die had daar als afweergeschut 88-millimeterkanonnen opgesteld. Daar hadden zelfs de geallieerden ontzag voor.''

Explosieven

Maar dat was niet het enige. De Duitsers hadden ook de Waterlandse Zeedijk, net buiten Schellingwoude, ondermijnd met springstof.

,,Het ging om acht putten, elk gevuld met zeker 800 kilo explosieven en afgedekt met een springmijn. Daarmee konden de Duitsers vanuit kamp Zeeburg de Waterlandse Zeedijk opblazen op het moment dat de geallieerden naderden. Wij moesten dat verhinderen. Vanuit de boerderijen hielden we met kijkers in de gaten wat er allemaal op de dijk gebeurde.''

Op 5 mei, Bevrijdingsdag, werd er nog op verschillende plekken in Nederland gevochten. Ook in Schellingwoude ging het op die dag nog bijna mis. Want de springlading in de Waterlandse Zeedijk mocht dan tijdens een nachtelijke actie inmiddels door het verzet onklaar gemaakt zijn, in kamp Zeeburg zaten wel nog altijd de Duitsers.

Hulsegge: ,,We kregen op die dag het bericht dat ze goederen lieten afvoeren door 'moffenmeiden'. Ik kreeg opdracht om te kijken om welke goederen het precies ging.''

Waffe weg

Hulsegge werd geposteerd op de Schellingwouderdijk, schuin tegenover de IJdijk. ,,Eerst alleen in mijn blauwe overall. Anderhalf uur later kreeg ik mijn complete uitrusting; geweer, munitie, helm, koppel en BS-armband.''

Het duurde niet lang of de Duitsers kwamen poolshoogte nemen. ,,Twee militairen kwamen aanlopen met een Spaanse ruiter, een soort prikkeldraadversperring. Eén van hen, een officier, riep me bij zich. Ik ging naar hem toe. In het Duits schreeuwde hij iets naar me, maar ik verstond alleen maar 'die Waffe weg'. Meteen gevolgd door een salvo schoten uit zijn machinepistool, die vlak langs me heen gingen.''

Hevig geschrokken vuurde ook Hulsegge een schot af, waarbij hij de Duitser bijna raakte. ,,Hij werd lijkbleek en beide Duitsers renden hard weg in de richting van de Oranjesluizen.''

Kort daarop kwamen de Duitsers terug, maar ook Hulsegge had inmiddels versterking gekregen. Er ontwikkelde zich een hevig vuurgevecht dat zeker een uur en misschien wel langer duurde, en waarbij de verzetslieden zich terugtrokken in de weilanden achter de Wijkergouw.

Allerbelabberdst

,,De waterstand in die polder was vrij hoog, waardoor wij allemaal door het water moesten waden en de brenschutter, met zijn zware wapen, zelfs tot aan zijn borst in het water zakte.''

Van enig heldendom was op dat moment al helemaal geen sprake meer, verzekert Porsius. ,,We voelden ons echt allerbelabberdst. Godverdorie, dacht ik, dat ik nou nog het loodje moet leggen. Terwijl we wisten dat de oorlog eigenlijk al was afgelopen, want op overkomende vliegtuigen werd al een tijdje niet meer geschoten.''

Bij Alie Tromp, die door haar koerierswerkzaamheden ook in het strijdgewoel beland was, spookten soortgelijke gedachten door het hoofd. ,,De kogels vlogen om mijn hoofd en ik dacht: zal ik nou nog kapotgeschoten worden? Eén van de mannen zag me fietsen en zei dat ik onmiddellijk moest gaan liggen. Dat heb ik toen maar gedaan.''

Uiteindelijk kwam een sluiswachter van de Oranjesluizen met twee berichten van kamp Zeeburg. ,,We moesten de strijd onmiddellijk staken en anders zouden de 88-mililimeterkanonnen gebruikt worden. Ook moest onze commandant zich melden op kamp Zeeburg.''

Geweldige klap

Daar werd door beide partijen besloten tot een staakt-het-vuren, maar nog was de oorlog niet helemaal voorbij voor de Binnenlandse Strijdkrachten. ,,We moesten de putten in de Waterlandse Zeedijk blijven bewaken omdat daar nog steeds explosieven lagen, ook al waren die inmiddels onklaar gemaakt.''

Dat duurde totdat een paar dagen later een militair voertuig met twee Duitse en twee Canadese militairen verscheen. ,,Dat was de eerste keer dat we de bevrijders zagen. De Canadezen vertelden dat de Duitsers nu de springlading onklaar zouden maken. Wij waren natuurlijk benieuwd hoe zij zouden reageren als ze ontdekten dat dát al gebeurd was en keken gespannen toe.''

Wat er toen gebeurde, kwam ook voor Porsius, Hulsegge en Tromp als een verrassing. ,,De ene Duitser trok het putdeksel op en meteen klonk er een geweldige klap, gevolgd door zwarte rookwolken. Blijkbaar had het verzet de springmijn laten liggen en was die door de Duitser geactiveerd. De ontploffing was zo hevig dat zijn hersens onderaan de dijk lagen.''

Zo kreeg een vijand uiteindelijk nog de zinloze dood waar Porsius, Hulsegge en Tromp nota bene zó voor gevreesd hadden.

En is ook meteen duidelijk waarom de drie eigenlijk zo'n hekel hebben aan de heldenverhalen, die rond deze tijd weer breed uitgemeten worden in de media. Daar was dus absoluut geen sprake van, benadrukken ze nog maar eens ten overvloede.

Integendeel zelfs, de gebeurtenissen van toen drukken soms nog steeds als een last op hun schouders. ,,Van die hersens heb ik nog altijd nachtmerries'', besluit Hulsegge.

Meer nieuws uit Waterland

Meest gelezen