’De Duitsers arresteerden mijn vader. Mijn broers en zusjes stonden om moeder heen. Die zei: kinderen, jullie vader komt nooit meer terug’

’De Duitsers arresteerden mijn vader. Mijn broers en zusjes stonden om moeder heen. Die zei: kinderen, jullie vader komt nooit meer terug’
Op 15 mei 1940 verschijnt het Duitse leger op de Grote Markt. Zij zijn gekomen via Amsterdam-Zuid en komen rond 14.00 in Haarlem aan.
Haarlem

Het is 75 jaar geleden dat een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog. Voor deze krant een goede aanleiding om een verhalenreeks uit 1999 opnieuw te publiceren. Het betreft een driedelige serie over de ondergang van de Haarlemse joodse gemeenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog. In Haarlem woonde ooit de grootste joodse gemeenschap van Nederland, op die van Amsterdam na. Tijdens de Duitse bezetting werden de joodse Haarlemmers massaal gedeporteerd, waardoor het vooroorlogse joodse leven zich na de Bevrijding niet meer kon herstellen. Dit is deel 2.

Lees hier alle verhalen over 75 jaar bevrijding

De bejaarde Haarlemse rabbijn Simon de Vries stierf in 1944 van uitputting in Bergen-Belsen, 73 jaar oud. Bijna vijftig jaar had hij in Haarlem gewerkt. Kort na zijn afscheidspredicatie in december 1940 was hij verhuisd naar Amsterdam, waar hij door de nazi’s werd opgepakt.

Verschillende Haarlemmers zijn getuige geweest van zijn laatste levensdagen, die hij werkend moest doorbrengen, sjouwend met een kruiwagen.

Isaak Leuvenberg (1920) hoorde van zijn moeder over de dood van de rabbijn. „Ze heeft gezien hoe hij in een kalkput werd gegooid.”

’De Duitsers arresteerden mijn vader. Mijn broers en zusjes stonden om moeder heen. Die zei: kinderen, jullie vader komt nooit meer terug’
Rabbijn Simon de Vries

De inval van de Duitsers kwam voor veel Haarlemse joden als een totale verrassing.

Jaap de Vries (1914): „Ik had altijd gedacht dat het aan ons voorbij zou gaan. De tiende mei was voor mij een donderslag bij heldere hemel. Nederland was in de eerste wereldoorlog toch ook neutraal gebleven?”

Waarschuwingen had hij in de wind geslagen. „In Antwerpen woonden een oom en tante van mij, die in 1938 naar Amerika emigreerden. Ze drukten de hele familie op het hart hetzelfde te doen. ’Jongens, het gaat mis’, zeiden ze. Maar wij verklaarden ze voor mesjogge.”

Paniek

De paniek die volgde op het bericht van het uitbreken van de oorlog was intens. Barend Chapon, voorzitter van de Nederlands-Israëlitische gemeente, wilde met zijn gezin naar Engeland vluchten.

Zijn dochter Selma de Casseres-Chapon (1912): „We probeerden naar IJmuiden te gaan, daar zou een boot liggen naar Engeland, maar IJmuiden haalden we niet eens; het bleek onmogelijk.”

Ook de ouders van Jaap de Vries waagden vergeefs een poging. „Ze namen een taxi naar IJmuiden; de chauffeur wilde alleen rijden als ze de wagen kochten met hem erbij. Pure afpersing. Mijn vader heeft het nog gedaan ook.”

’De Duitsers arresteerden mijn vader. Mijn broers en zusjes stonden om moeder heen. Die zei: kinderen, jullie vader komt nooit meer terug’
Selma Chapon
© Kees van der Linden

Collaborateurs

De joden kregen vrijwel meteen restricties opgelegd. Winkelen, schoolgaan, werken, fietsen, cafébezoek of vissen: al gauw mochten ze bijna niets meer.

De eerste razzia’s volgden kort daarna, totdat in februari 1943 alle nog overgebleven Haarlemse joden de schriftelijke aanzegging ontvingen de stad te verlaten. Zij moesten zich vestigen in Amsterdam.

De Duitsers maakten dankbaar gebruik van de ijver van collaborateurs. „Rond ons huis aan de Spaarnelaan hing altijd het hoofd van de Haarlemse WA rond, Jan Nederkoorn”, vertelt Selma. „Vermoedelijk omdat mijn vader een belangrijke figuur was. Als ik de straat in kwam lopen, keek hij op zijn horloge of ik me wel aan de sperrtijden hield.”

Nazi

Bettie Polak (1921), laborante, raakte haar baan kwijt. Om niet de hele dag thuis te hoeven zitten, deed ze vrijwilligerswerk. Maar zelfs daar werd ze voortdurend weggestuurd.

„Ik melkte koeien bij een boer in Schalkwijk, totdat de joden niet meer mochten fietsen. Toen kwam ik in een rubberfabriek aan het Spaarne te werken, waar mijn chemische kennis van pas kwam, daarna op een bloemenkwekerij en op het laatst als hulp in het Jolesziekenhuis aan het Groot Heiligland.”

Jaap Leuvenberg (1917), zoon van een welgestelde weduwe aan het Frans Halsplein, bezat aan de Amsterdamse Lauriergracht een drukkerij. Dagelijks reisde hij op en neer naar Amsterdam.

„Moeder had die zaak voor mij gekocht. Op een dag stapte er een Hollandse nazi binnen met een papier ondertekend door Seyss-Inquart. Hij nam de leiding en ik stond op straat. Op mijn machines is die vent De Misthoorn gaan drukken, een sterk anti-semitisch blad.”

’De Duitsers arresteerden mijn vader. Mijn broers en zusjes stonden om moeder heen. Die zei: kinderen, jullie vader komt nooit meer terug’
Jaap Leuvenberg
© kees van der Linden

In 1942 vluchtte Jaap met zijn vrouw Dolly naar Zwitserland. „Onze persoonsbewijzen met die grote J erin hadden we thuisgelaten. We reisden met onze paspoorten. Mijn jongere broer Isaak nam die route later ook. Maar bij mijn oudste zuster ging het mis. Zij is met haar man en twee kinderen gepakt en gedeporteerd naar Mauthausen.”

De macabare plannen van de nazi’s werden niet door iedereen doorzien. Liesje de Vries, dochter van een winkelier in de Cronjéstraat: „Mijn vader wilde naar het kamp toe. Hij kreeg een oproep zich te melden en wilde gaan, omdat hij dacht dat hij te werk zou worden gesteld. Mijn moeder smeekte hem dat niet te doen, ze was doodsbang. Uiteindelijk liet hij zich overhalen en zijn we ondergedoken.”

’De Duitsers arresteerden mijn vader. Mijn broers en zusjes stonden om moeder heen. Die zei: kinderen, jullie vader komt nooit meer terug’
Liesje de Vries
© Kees van der Linden

Voetbalplunje

Ook de legendarische Haarlem-keeper Juda de Vries, ’de leeuw van Juda’ voor zijn fans, wist niet wat hem boven het hoofd ging toen hij op transport werd gesteld naar Sobibor.

Zijn zoon Abraham (1938): „Mijn vader zat ondergedoken aan het Wilsonsplein, waar hij werd verraden. Vanuit Westerbork vroeg hij mijn moeder zijn voetbalplunje na te sturen. ’Want je weet dat ik graag voetbal en misschien hoef ik daar dan minder hard te werken’.”

Enkele joodse jongeren maakten de beklemmende sfeer in de stad niet dagelijks mee; via de Vereniging tot opleiding van Palestinapioniers liepen ze stage op het platteland. Isaak Leuvenberg werkte, totdat hij naar Zwitserland vluchtte, bij een keuterboer in Gelderland.

„Ik ben een paar keer in Haarlem geweest om mijn moeder wat eten te brengen, roggebrood en kaas. Al was het dan niet kosjer, ze was blij dat ze wat te eten had.”

’De Duitsers arresteerden mijn vader. Mijn broers en zusjes stonden om moeder heen. Die zei: kinderen, jullie vader komt nooit meer terug’
Isaal Leuvenberg
© Kees van der Linden

Ook Simon van Frank (1919), werkzaam bij een boer in Keppel, reisde midden in de oorlog naar huis. „Ik kreeg een telefoontje van mijn stiefmoeder dat vader in het Jolesziekenhuis lag.”

Hij kocht een ’Deutsche Zeitung in den Niederlanden’ en stapte in de eerste klas, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was.

„Daar zat ik tussen de Duitse officieren, 22 jaar was ik. Ze hadden niet door dat ik joods was, welnee. Joden zijn toch lafaards?”

De reis verliep probleemloos, maar ’s avonds kwam het onheil.

„De ramen bij mijn stiefmoeder in de Keizerstraat waren verduisterd. We zaten twee hoog, toen er werd gebeld. Ik zei tegen mijn stiefmoeder: ’Doe niet open!’ Toch liep ze de trap af. ’Ze nemen ons heus niet mee als je vader in het ziekenhuis ligt. Het zijn toch geen beesten?’ Opnieuw riep ik: ’Doe niet open’. Maar ze liep door. Beneden hoorde ik zeggen: politie!” En hij benadrukt: „Dus niet Polizei! Het waren Haarlemse agenten.”

’De Duitsers arresteerden mijn vader. Mijn broers en zusjes stonden om moeder heen. Die zei: kinderen, jullie vader komt nooit meer terug’
Simon van Frank
© Kees van der Linden

Simon bedacht zich geen moment, rende naar de veranda en sprong de tuin in, waar hij zich in de struiken verborg. „In het duister zag ik mijn broer het balkon op komen die zei: ’We moeten vertrekken’. Toen zag ik een hand, die mijn broer naar achteren trok. Het is een trauma van me, ik zie die hand nog steeds.”

’De Duitsers arresteerden mijn vader. Mijn broers en zusjes stonden om moeder heen. Die zei: kinderen, jullie vader komt nooit meer terug’
Rabbijn Opperrabbijn Philip Frank (derde van rechts)

De dood van de jonge opperrabbijn van Noord-Holland, Philip Frank, tevens opvolger van rabbijn De Vries in Haarlem, was het absolute dieptepunt voor de joodse gemeenschap.

Als represaillemaatregel voor de dood van een Duitse onderofficier, die nabij de Verspronckweg was neergeschoten, gaven de Duitsers opdracht tot arrestatie van tien gijzelaars.

Onder hen bevonden zich het voormalige joodse gemeenteraadslid Herbert Drilsma, de voorzitter van de Nederlands-Israëlitische gemeente Barend Chapon en de 27-jarige rabbijn.

’Vader komt nooit meer terug’

Selma Chapon heeft de arrestatie van haar vader nog scherp voor ogen. „Vader was net weg. Mijn broers en zusjes stonden om moeder heen, toen ze zei: ’Kinderen, jullie vader komt nooit meer terug’.”

Haar moeder kreeg gelijk. Twee dagen na zijn arrestatie, op 2 februari 1943, kreeg haar man, met de andere gijzelaars, in de duinen van Overveen de kogel. Nog diezelfde dag gaf de bezetter opdracht tot arrestatie van alle familieleden van Chapon, Frank en Drilsma.

Met overvalwagens werden ze naar het politiebureau aan de Smedestraat vervoerd. Dat de gijzelaars waren doodgeschoten, wisten ze op dat moment nog niet.

Selma en haar broer Jules wisten aan arrestatie te ontkomen. Selma, voor de oorlog een succesvol balletdanseres, werkte als verpleeghulp in het Jolesziekenhuis. Op het moment dat haar familie werd gearresteerd, stond ze pap te koken voor de patiënten.

„Ik werd gewaarschuwd om niet naar huis te gaan; mijn familie was uit huis gehaald. Toch ging ik kijken. Voor ons huis aan de Spaarnelaan zag ik een Duitse officier staan. Toen ben ik omgekeerd en heb een onderduikadres gezocht.”

Haar broer Jules onttrok zich aan arrestatie door het huis via de achtertuin te ontvluchten.

Politiebureau

De enige nog levende ooggetuige van het drama dat zich op het politiebureau afspeelde, is Victor Jacobs (1931), zoon van de secretaris en tweede voorzanger van de joodse gemeente. Op last van de bezetter had het gezin Jacobs zijn huis aan de Pijntorenstraat ’s ochtends moeten verlaten.

Victor: „We zouden intrekken bij rabbijn Frank, die mijn vader natuurlijk goed kende. Op het moment dat we aankwamen, was er niemand thuis. We sjouwden onze spullen naar boven, toen er werd gebeld. Moeder deed open, er stond een politieman in burger voor de deur. ’Bent u mevrouw Frank? Nee? Dan bent u gearresteerd’.”

,,We moesten allemaal mee naar het politiebureau aan de Smedestraat. Even later werden mevrouw Chapon en haar kinderen, mevrouw Frank - die geen kinderen had - en de zus van Drilsma binnengebracht. Het tafereel dat ontstond toen ze het vreselijke nieuws hoorden, staat in mijn geheugen gegrift. Ze huilden van ontzetting en verdriet.”

Hartaanval

Mevrouw Chapon kreeg van ellende een hartaanval. Toch werd ze, tegelijkertijd met de anderen, doodziek naar de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam getransporteerd.

Haar dochter Selma: „Later heb ik gehoord dat moeder, mijn twee zusjes en mijn jongste broertje in de Hollandse Schouwburg in Amsterdam sjiw’ah hebben gezeten, dat betekent dat ze niets deden en rouwend op de grond zaten vanwege de dood van mijn vader.”

Zoon Jules: „Het verzet had ze er allemaal uit kunnen krijgen, via een neef die in de illegaliteit zat. Maar moeder was zo ziek, dat ze geen stap meer kon verzetten. Mijn zusjes en mijn broer wilden haar niet achterlaten en weigerden mee te gaan. Ze hadden geen idee dat ze bij aankomst in Auschwitz meteen zouden worden vergast.”

De tweede voorzanger, zijn vrouw en hun drie kinderen werden ’s avonds vrijgelaten. Twee kinderen, onder wie Victor, overleefden de oorlog op een onderduikadres. De rest van het gezin ontkwam niet aan gedwongen vertrek naar Amsterdam en, uiteindelijk, Sobibor.

Diensten

De diensten in de Haarlemse synagoge werden nauwelijks meer bezocht. Roosje Gnesin-Herskovits (1912), in 1939 uit Duitsland gevlucht, zag de groep slinken.

„Steeds meer gemeenteleden doken onder; vooral nadat rabbijn Frank was doodgeschoten, kwamen er maar weinig meer. De laatste keer dat ik in sjoel was, zat een vrouw voor mij vreselijk te huilen. Waarom, weet ik niet, want voordat ik dat kon vragen, was ze al weer naar buiten. Maar ik zal het nooit vergeten.”

In 1943 dook ook zij onder, met haar man, die een bontzaak had aan de Gedempte Oude Gracht. Vanaf dat moment verloor ze alle contact met haar familie in Duitsland.

„In 1939 waren mijn ouders nog bij ons in Nederland geweest voor joods Pasen. Eigenlijk wilden ze niet meer terug naar Duitsland, maar mijn vader, die kleermaker was, had nog opdrachten in de winkel liggen en wilde zijn klanten niet laten zitten.”

Haar vader stierf kort na de thuisreis aan een hartaanval. „Mijn moeder is later gedeporteerd naar Treblinka.”

Onderduiken

Onderduiken was een hachelijke zaak. Isaak Leendert Worms en zijn vrouw, die een sigarenfabriekje in de Waarderpolder hadden, verborgen zich bij een echtpaar aan de Bilderdijkstraat. Meteen bij binnenkomst moesten ze zo’n duizend gulden overleggen, om vervolgens te ontdekken dat hun adres niet zo veilig was als het leek.

Nauwelijks hadden ze zich geïnstalleerd, of de bel ging. De man die hen even tevoren had ontvangen, liep doodgemoedereerd naar de deur, liet enkele geuniformeerde heren van de Sicherheitsdienst binnen en leidde ze naar de woonkamer. ’Daar zitten ze’, zei hij wijzend op de verbouwereerde onderduikers.

Hun zoon Leo Worms (1918): „Ik heb mijn ouders nooit meer teruggezien. Niemand van mijn familie trouwens; mijn zusje niet, haar man niet, noch mijn ooms, tantes, neefjes en nichtjes, niemand meer. Zevenentachtig familieleden in totaal. Ik ben de enige overlevende.”

Verraden

Jaap de Vries vond met zijn vrouw een betrouwbare schuilplaats in Heemstede, maar zijn ouders kwamen terecht bij een profiteur. „Hij eiste steeds meer geld. Uiteindelijk zagen mijn ouders kans te vluchten; ze kwamen bij ons terecht. Die vent had echter de contactpersonen tussen de twee adressen gevolgd en heeft ons verraden.”

De Heemsteedse vrouw die de joodse familie had verborgen op de eerste verdieping, belandde evenals haar onderduikers in een concentratiekamp. „Gelukkig heeft zij het kamp overleefd”, vertelt Jaap. „Maar mijn vrouw, mijn ouders en mijn zuster ben ik kwijtgeraakt.”

Veilige onderduikadressen waren er natuurlijk ook. Abraham, zoon van Haarlem-keeper Juda de Vries, werd door zijn ouders bij een hervormde boerenfamilie in Vijfhuizen ondergebracht.

Heldhaftig

„Mijn schuilnaam was Bertus. Op zondag ging ik mee naar de kerk. Als het over Judas ging, riep ik ’Juda, Juda, Juda!’, omdat ik dacht dat het over mijn vader ging. Hoe cynisch dat eigenlijk was, ben ik pas later gaan beseffen.”

Simon van Frank (1919) woonde tot het einde van de oorlog bij ’pa en moe Smit’ aan de Minahassastraat in de Indische Buurt. „Eerst zaten we er met vier, toen zes en later zelfs met twaalf onderduikers. Het huis, de stoelen, de loper op de trap, alles was na de oorlog tot op de draad versleten.”

Het echtpaar Smit gedroeg zich heldhaftig. „Ze deden het omdat ze vonden dat ze het moesten doen. ’Joden zijn mensen, net als wij’, zei moe Smit, en daar liet ze het bij.”

Capitulatie

Dankzij het echtpaar Smit behoorde Simon tot de weinige Haarlemse joden die de oorlog overleefden. Twee dagen na de capitulatie toog hij naar het verlaten kantoor van de Nederlands Israëlitische gemeente aan de Lange Wijngaardstraat. „Daar heb ik direct een bordje opgehangen: Joodse Gemeente weer geopend.”

Op de bovenverdieping van het kantoor hervatte Simon de synagogale diensten. „Ik had gehoord dat de thorarollen uit de oude synagoge waren gered door een zekere mijnheer Peereboom, een architect, een niet-jood. In een kelder aan de Bakenessergracht lagen ze verborgen in een kist. Alles was er nog, de mantels en de kronen, tot het laatste belletje.”

Handkar

Met een schoonzoon van rabbijn De Vries laadde Simon de kostbare vondst op een handkar en liep naar het kantoor van de joodse gemeente. „Ik kan me niet herinneren dat we onderweg iemand hebben gezien of gesproken. Huilend duwden we de kar voort; we liepen er in een waas achter.”

De grote synagoge naast het Concertgebouw zag hij nooit meer van binnen. In de oorlogsjaren was het schitterende pand door NSB’ers totaal verwoest. Met toestemming van de bezetter had de naastgelegen drukkerij Enschedé het voormalige heiligdom vervolgens zonder scrupules in gebruikgenomen als papieropslag.

Simon: „Ik stond daar na de oorlog en zag dat onze geschiedenis weg was. Ons verleden was afgelopen, zo voelde het. Het was een ontheiliging. Dat had Enschedé nooit mogen doen.”

Lees hier deel 1 uit de serie: De Haarlemse joodse gemeenschap werd grotendeels weggevaagd

Aan deze serie werkten mee in Israel: Liesje de Vries (Netanya), Bettie Polak (Dovrat), Simon van Frank (Hadera), Jaap Leuvenberg (Herzliya), Isaak Leuvenberg (Hajogef), Jaap de Vries (Netanya), Selma de Casseres-Chapon (Kfar Saba), Roosje Gnesin-Herskovits (Haifa), Abraham de Vries (Tel Aviv) en Victor Jacobs (Haifa). In Frankrijk: Jules Chapon (Saint Cyprien). In Nederland: Leo en Ro Worms (Heemstede), Lex Wolf (Heemstede) en rabbijn Shmuel Spiero (Haarlem).

Meer nieuws uit Haarlem