Premium

’De bommen vielen, overal brandde het. We moesten met spoed de schuilkelder in, die zat propvol, iedereen huilde’ [video]

’De bommen vielen, overal brandde het. We moesten met spoed de schuilkelder in, die zat propvol, iedereen huilde’ [video]
Jeanne Bakker.
© Foto Peter Schat
Zaandam

Het bombardement dat op 14 mei 1940 het historische centrum van Rotterdam in puin legde, verscheurde het gezin waarin Jeanne Bakker drie jaar eerder ter wereld was gekomen. Dat telde toen zeven kinderen, waarvan Jeanne de zesde telg was, en verloor have en goed. De kinderen gingen naar pleeggezinnen. Tijdelijk. Maar dat bleek een misrekening.

Lees hier alle verhalen over 75 jaar bevrijding

Het bombardement zou de rest van haar leven bepalen. Ze nam de achternaam aan van haar pleegvader, die dol op haar was. Haar pleegmoeder, wellicht juist daardoor, bleek boosaardig en haar pleegbroer misbruikte haar. Omdat haar eigen ouders haar afschreven, groeide Jeanne op in het besef nergens bij te horen.

,,Ik werd in de Hongerwinter ziek. Mazelen in een erge vorm. Toen hebben mijn pleegouders naar Rotterdam gebeld. Maar mijn ouders zeiden dat ze niet zouden komen. Als ik het zou halen, had dat immers geen zin en als ik het niet zou halen ook niet. Dat is heel recht voor z’n raap, maar het klinkt niet zo aardig, hè.’’

’De bommen vielen, overal brandde het. We moesten met spoed de schuilkelder in, die zat propvol, iedereen huilde’ [video]
Jeanne op de arm van haar moeder, toen 29, na de doop in de Grote Sint-Laurenskerk in Rotterdam.

In haar woning in Zaandam doet ze haar verhaal. Alle betrokkenen zijn dood, ze praat er vrijmoedig over, laat haar tranen soms de vrije loop. Het gezin waar ze in ze geboren werd, zou uiteindelijk dertien of veertien kinderen tellen. Ze weet dat niet precies.

,,Mijn broers zijn toen ze veertien, vijftien waren de zee op geschopt, met een oom die aan boord was. Hartstikke traumatiserend. Mijn zus en ik zijn de twee kinderen zonder achtergrond. We horen bij niemand, niet bij onze familie en niet bij onze pleegfamilies. Niet het bombardement is alles bepalend, ook de sociale omstandigheden van onze ouders. Ze hadden geen geld en wel veel kinderen.’’

Jeanne ging de verpleging in. Haar zus Alie, die in Wormerveer opgroeide, belandde in het onderwijs. Jeanne kreeg vier kinderen. ,,Ik wilde alles anders doen. Zoals met mij is omgegaan, met dat jokken en chanteren, zo wilde ik het niet. Mijn oudste zoon vroeg mijn oma eens in verband met de vele kinderen die zij had gebaard, waarom zij geen nee zei tegen mijn vader. Dat woord, zei zij, dat kende mijn vader niet.’’

,,Mij vond hij al helemaal niks, veel te brutaal en mijn zus ook. Verpleegsters en onderwijzeressen, die kon hij niet te baas. Tegen kinderen maken had hij geen bezwaar maar hij hield niet van kinderen. Als je probeerde op zijn schoot te klimmen, zoals ik bij mijn pleegvader deed, zei hij dat ik maar naar mijn moeder moest gaan. Ik moest elk jaar veertien dagen logeren bij ze. Ik zei tegen mijn moeder: je doet je kinderen niet ongestraft weg, denk je nou dat ik blij terugkom één keer per jaar? Het kwam onze ouders beter uit als we niet terugkwamen.’’

’De bommen vielen, overal brandde het. We moesten met spoed de schuilkelder in, die zat propvol, iedereen huilde’ [video]
Jeanne (links) en Nel schelen dertien maanden, hun pleegouders dachten dat ze een tweeling waren.

Schuilkelder

Terug naar die meidagen van 1940. Jeanne heeft er ondanks dat ze erg jong was herinneringen aan.

,,Met zeven kinderen gingen we naar buiten met onze spulletjes en tien minuten later gingen de sirene af en de klokken luiden. Zo’n verschrikkelijk geluid als ik er nog aan denk. Dat was echt zo’n onheil, de bommen vielen al. We moesten met spoed de schuilkelder in, die zat propvol, iedereen huilen, wij huilen.”

,,Daarna zijn we eruit gekomen maar de bommen bleven vallen. Ze hebben ontzettend veel brandbommen gegooid binnen twintig minuten, overal brandde het, de stad was zwart. Ik zag een man liggen die z’n hoofd was weg. Nou, als kind denk je dan ’goh wat raar’, maar het deed me niks. Onze poes was niet mee, dat vond ik veel erger.”

,,Dat zelfs de brandweerauto’s in brand stonden, dat vond ik heel gek. Onze hele wijk was weg, we hadden niks, geen eten, geen onderdak, geen kleren, niks, niks niks, We zijn nog een tijdje bij een tante ingeweest maar die had negen kinderen dus dat was niet zo’n succes. Toen zijn we allemaal bij pleeggezinnen ondergebracht, in de Zaanstreek en in Friesland, Groningen. Via een organisatie die inderhaast was opgezet.’’

Jeanne, haar dertien maanden oudere zus Nel en Alie kwamen na een lange treinreis bij wildvreemde mensen aan.

,,Daar moesten we slapen, eten en blijven. Wij wilden alleen maar naar onze vader en moeder. De vrouw bij wie we waren belde met mijn latere pleegvader en zei ’Mijnheer Bakker, u wilde er één maar ik heb er twee. Kom er maar eentje uitzoeken’. Het zijn geen katten, heeft hij toen gezegd, ik neem ze alletwee. Wij scheelden zo weinig dat het leek of wij een tweeling waren.’’

Liefdeloos

,,Mijn pleegouders hadden een prachtig huis en ze hadden veel meer dan wij hadden. Toch hadden wij verschrikkelijk heimwee en huilden we veel. Maar ja, over zes weken zouden we naar huis gaan want dan was de oorlog afgelopen. Maar helaas.’’

Alie kwam in Wormerveer bij twee oude mensen zonder kinderen terecht. ,,Ze mocht naar de hbs, naar de kweekschool. Ze mocht alles, mocht pianoles. Het was heel stabiel maar wel heel liefdeloos. Daar konden die mensen niets aan doen, die waren al vijftig toen zij haar kregen en zij was toen negen of tien. Mijn zus is echt een pionier. Wij hangen het meest aan elkaar en dat is, omdat zij zegt, wij weten wat er gebeurd is. Wij weten dat we nergens bij horen.’’

’De bommen vielen, overal brandde het. We moesten met spoed de schuilkelder in, die zat propvol, iedereen huilde’ [video]
De ouders Nel en Willem en broertje Ari komen vanuit Rotterdam in de oorlog op bezoek bij de zussen Jeanne en Nel in Zaandam. Rechts met Ari op schoot pleegmoeder Klazina.

Sporadisch was er contact met thuis, zoals de verplichte veertien dagen logeren per jaar en een enkel bezoek van de ouders aan Zaandam. Nel was ’niet te hanteren’. ,,Mijn pleegmoeder kon haar niet aan en de huisarts kwam en zei: ’Als je je vrouw dood wil hebben, moet je haar houden’. Het was een verloren zaak met haar.’’

Nel ging weer terug naar Rotterdam. Over Jeanne ontstond getouwtrek. Haar pleegvader wilde haar houden na de oorlog maar haar vader wilde haar ook terug.

,,Mijn vader had, laten we het netjes zeggen, een beetje iets sadistisch. Als ’ie de pest in had zei hij, we halen je morgen terug, dan had hij macht over mij. Ik was een pleegkind, ik had niets te zeggen over mezelf, ook mijn pleegouders niet. En dan ging ik weer terug en dan was er weer een broertje of zusje van me bij. Allemaal vreemden voor mij. Een verloren ziel was ik.’’

In het gezin was een oudere pleegbroer.

,,Hij heeft me seksueel misbruikt toen ik vijf was. Met het dreigement ’als je het vertelt ga je naar Rotterdam terug’. Ik heb de naam van mijn pleegvader aangenomen. Daar was hij blij om, want zijn zoon deugde niet. Aan het eind van zijn leven stelde hij me eens huilend de vraag of zijn zoon mij wel eens wat had aangedaan. Nee hoor, zei ik toen. Daar was hij zo blij om. Hij zei dat hij daar altijd bang voor was geweest.”

,,Nee, ik heb het hem toen niet kunnen vertellen. Mijn pleegmoeder wist ervan, maar die dacht ’zolang hij aan haar zit blijft hij van de meiden af’. Want hij moest trouwen toen hij achttien was, dat was al helemaal geen feest. Mijn pleegvader had een goede baan en een heel mooi huis. Hij was heel sociaal. En dan met zo’n zoon, dus ik was eigenlijk een beetje de goedmaker. Maar ja, voor mijn pleegmoeder was haar Gerrit haar alles.’’

Het misbruik is nooit aangegeven. ,,Dat kon ik mijn pleegvader niet aandoen. De enige van wie ik altijd ontzettend veel hield was mijn pleegvader. Mijn pleegmoeder zei al dat als ik dan een dagje uit Utrecht kwam, dat hij al een half uur van tevoren op het station stond in de hoop dat ik eerder kwam. En dan straalde hij helemaal. Hij noemde me Gijs, want ik had altijd honger. Dan zei ik ’Mag ik nog een boterham, mag ik nog een boterham?’ Dan zei hij: je lijkt wel hollebollegijs. Hij zei altijd dat hij meer van me hield dan van zijn eigen zoon en ik denk dat mijn pleegmoeder dat wel wist. Dat reageerde ze op mij af.’’

,,Als wat je meemaakt tijdens je inprentingsperiode komt er toch weer uit. Ik heb vier kinderen en was daarmee druk, verzorgde mijn pleegouders tot hun dood. Als je meer rust voor jezelf krijgt, komt het naar boven. Mijn jongste zoon heeft me meegenomen naar Auschwitz-Birkenau. Dat was wel heel erg. Dan denk je, daar zijn we aan ontsnapt. De familie van mijn vader was half Joods. Dan denk ik, het had veel erger kunnen zijn en ik moet me niet aanstellen. Maar zo werkt het toch niet. Er wordt tegen je gezegd, vergeet het toch allemaal. Maar op bevel iets vergeten, dat werkt niet. Een goed geheugen is fijn, zegt men, maar niet altijd hoor.’’

Meer nieuws uit Zaanstreek

Meest gelezen