Premium

Het Begijnhof in Haarlem was een vrouwengemeenschap omdat mannen gewoon eerder dood gingen

Het Begijnhof in Haarlem was een vrouwengemeenschap omdat mannen gewoon eerder dood gingen
De Waalse Kerk aan het Begijnhof in 1983.
© Foto Noord-Hollands Archief

In 1262 stichtte Arent van Sassenheim, de pastoor van de Bavo op de Grote Markt, het eerste Noord-Nederlandse begijnhof en stelde daarvoor zijn huis en boomgaard beschikbaar. Dit betrof het gebied tussen de Riviervismarkt, de Jansstraat en de Bakenessergracht rond de huidige rosse buurt.

Een jaar eerder had deze adellijke priester bij Leiden ook al de abdij Leeuwenhorst gesticht, een klooster voor adellijke dames voornamelijk uit de familie van de stichter en verwante families. Dames waarvoor de familie geen andere bestemming had, konden daar een geborgen leven in passende vroomheid leiden, zonder hun familie tot last te zijn.

Al in 1273 werd de Haarlemse stichting van pastoor Van Sassenheim, het Begijnhof, een eigen parochie, met Petrus en Paulus als patroonheiligen. Daarmee vielen de begijnen niet meer onder de St.-Bavo-kerk. Ook fysiek werd het Begijnhof met een drietal poorten afgesloten van de rest van de stad. Die gingen ’s nachts op slot en portiersters hielden er de wacht. De begijnen steunden op de elite, inclusief de grafelijke familie. Aleid van Holland, de zus van graaf Willem II, financierde bijvoorbeeld de priester voor de kapel van deze vrome vrouwen die in huisjes op het Begijnhof leefden, of, als dat te duur was, in conventen, gemeenschappelijke woningen voor 8-12 vrouwen.

Hoewel vroomheid centraal stond, waren begijnen geen nonnen. Ze legden geen geloftes af en konden eventueel het Begijnhof weer verlaten. Deze vorm van samenleven in vroomheid wordt gezien als het resultaat van een kerkelijke vernieuwing. Dat van de negentien kloosters en kloosterachtige samenlevingsvormen die Haarlem op het eind van de Middeleeuwen kende er maar liefst dertien voor vrouwen waren, had echter ook een andere oorzaak. In steden bestond een ongelijke sekseverdeling. Door geweld, oorlog, zeevaart en ziektes was de sterfte onder mannen van de Middeleeuwen tot de 19e eeuw aanzienlijk hoger dan onder vrouwen. De meerderheid van de bevolking was vrouw. De typische Haarlemmer was dan ook een Haarlemse. Vrouwenkloosters losten dit tot de Reformatie ten dele op.

Gegeven het feit dat pastoor Van Sassenheim een jaar vóór hij het Begijnhof stichtte al een vrouwenklooster had opgezet om de overtollige vrouwen uit zijn eigen familie fatsoenlijk weg te werken, lijkt het geen onredelijke gedachte dat die intentie ook bij de stichting van het Begijnhof een rol heeft gespeeld. In dezen was hij succesvol.

Het Haarlemse Begijnhof zou uiteindelijk uit 56 huisjes en vijf conventen bestaan, wat betekende dat er ruim 100 vrouwen konden wonen. In de 14e eeuw zal dat zo’n 5% van de volwassen vrouwelijke bevolking van de stad zijn geweest. Al die vrouwen hielden zich bezig met ziekenverzorging, kinderopvang en basisonderwijs aan meisjes in lezen, schrijven en godsdienst. Ook waren ze actief als spinsters, maar dat leverde conflicten op met andere vrouwen die sponnen. Geestelijke instellingen als kloosters betaalden geen belasting. Hoewel de begijnen in de strikte zin geen kloosterorde waren, gold dat ook voor hen, waardoor zij met spinnen andere vrouwen oneigenlijke concurrentie aandeden.

Meer nieuws uit Haarlem

Meest gelezen