Premium

Boeren belegerden de edelen van Haarlem in hun torens

Boeren belegerden de edelen van Haarlem in hun torens
St. Bavo, zittend op de wolken, vuurt de Haarlemmers aan. Schilderij van Reyer van Blommendael uit 1673.

In 1272 waren de Kennemerboeren in opstand gekomen tegen de regeling van schot, de grondbelasting. Vooral de adel, die vrijstelling had van schot, moest het ontgelden. Uiteindelijk keerden de boeren zich tegen de edelen van Kennemerland, die in Haarlem een goed heenkomen hadden gezocht.

Haarlem had vermoedelijk nog geen vestingwerken. Behalve enige versterkte woontorens, was er bij het huidige Prinsenhof achter de Zaal, de grafelijke hal op de plek van het stadhuis, de grafelijke vesting, het Presidium.

Daar had de adel zich verschanst. In de zomer van 1274 belegerden de Kennemers die torens. Haarlem was natuurlijk veel meer dan alleen de graaf en zijn adel. Ten zuiden van de Grote Markt lag een dorp van ambachtslieden, handelaren en vissers. Als het in die periode over Haarlem gaat, dan betreft dat echter steeds de graaf, de adel en hun mannen.

Over het beleg van 1274 ontstond de mythe van St. Bavo die, zittend op de wolken, de Haarlemmers aanvuurde in de strijd. In feite deden de edelman Jan van Persijn en zijn mannen een uitval. Floris V was met de boeren in het gebied van de bisschop van Utrecht overeengekomen dat zij buiten de gevechten in Holland zouden blijven, waardoor de Kennemers verstoken van steun bleven.

Nadat Persijn met zijn legertje in Kennemerland enige dorpen had platgebrand, waarbij, zoals te doen gebruikelijk wel gemoord, geplunderd en verkracht zal zijn gaven de Kennemers het op. Floris behandelde hen genadig en gaf hen het Kennemer landrecht, waarin de schotvrijheid voor welgeborenen enigszins werd beperkt. Na de belegering mocht Haarlem ten behoeve van zijn vestingwerken belasting op de ambachten heffen. Dit versterkt de indruk dat die verdedigingswerken er nog niet waren. Vanaf 1274 werd de stad ommuurd en in 1282 stond op de huidige Botermarkt, net buiten de Oude Gracht, al het St.-Gangolfgasthuis voor reizigers die de poort gesloten vonden.

In 1297 worden expliciet een gracht en stadsmuur vermeld. Nu werd het gebied ten zuiden van de Beek en daarmee het dorp binnen de stad getrokken. Behalve dat er voor de bouw en het onderhoud van de vestingwerken accijns werd geheven, moesten juist de inwoners van dat dorp helpen bij de bouw en het onderhoud van de zeven meter hoge, twee meter dikke, met torens en poorten versterkte muren en bij het uitbaggeren van de ringgracht. Bovendien moesten zij wachtlopen. Wel konden ze een vervanger sturen, maar bleef iemand zonder meer weg dan kreeg hij een boete. Een stadsleger of schutterij wordt pas in 1374 voor het eerst vermeld.

Duidelijk is dat de lasten voor de bouw en het onderhoud van de versterkingen, die vooral voor de militaire positie van de graaf en zijn adel van belang waren, op de stad en haar poorters werden afgewenteld. Tot in de 16e eeuw werd al het werk aan de vestingwerken als corvee verricht. Pas daarna werd ervoor betaald, wat hogere belastingen impliceerde. Die kwamen bovenop de betalingen aan de graaf.

Meer nieuws uit Haarlem

Meest gelezen