Premium

In de oorlog verdwenen oom komt tot leven in een zestigtal brieven: ’Ik sla mijn eigen er maar doorheen, want het moet toch’

In de oorlog verdwenen oom komt tot leven in een zestigtal brieven: ’Ik sla mijn eigen er maar doorheen, want het moet toch’
Arie van der Knaap.
© Foto collectie familie Bergwerff
Rozenburg

In de laatste brief die nog aankomt bij zijn ouders schrijft mijn oom Arie van der Knaap op 12 september 1944 vanuit Danzig: ’Ik hoop dat jullie deze brief nog ontvangen, en dat wij allen spoedig naar huis terug mogen en dat God spoedig uitkomst zal schenken in deze benauwde tijd.’

Maar Arie, de broer van mijn moeder Fija, keert nooit meer terug. In de chaos aan het einde van de Tweede Wereldoorlog raakt hij vermist.

Als ik in 1956 geboren wordt, besluiten mijn ouders om mij naar hem te vernoemen. Als ik 18 word, krijg ik de ring die zijn verloofde Marie enkele jaren na de oorlog teruggeeft aan mijn opa en oma. ’Arie 28-11-1942’ staat erin.

Na de dood van Krijns, de jongste zus van mijn moeder, komt er een zestigtal brieven van Arie boven water. Ik lees ze begin dit jaar in een ruk uit. Opeens wordt ’de oom in het fotolijstje’ voor mij een man van vlees en bloed. De brieven raken iets in mij.

Arie lijkt qua karakter sprekend op mijn moeder: hij is net zo rustig en bescheiden. Het leven overkomt hen, ook hij schikt zich onder alle omstandigheden. ’We wachten het maar rustig af’, schrijft hij keer op keer.

Arie, geboren op 5 april 1920, wordt verplicht tewerkgesteld. Het eiland Rozenburg wordt in mei 1943 uitgekamd door de Duitsers en werkgevers met meerdere arbeiders moeten er een afstaan voor de Arbeitseinsatz.

Arie werkt dan als chauffeur voor Jaspert van der Hout. Omdat hij niet gehuwd maar ’slechts’ verloofd is, wordt hij het slachtoffer van deze maatregel.

Over de oorlog wordt vooral gezwegen in onze familie. Nooit heb ik begrepen waarom hij niet is ondergedoken.

In de oorlog verdwenen oom komt tot leven in een zestigtal brieven: ’Ik sla mijn eigen er maar doorheen, want het moet toch’
Arie van der Knaap, op deze foto nog thuis op Rozenburg, naast de vrachtwagen van zijn baas.

Mijn vader, van 1923 en verloofd met mijn moeder, doet dit wel. Sterker nog, in de tijd dat hij bij het orgel in de Gereformeerde Kerk schuilt, glipt hij in de schemer naar het huis van zijn aanstaande schoonouders.

Die hebben een huis vol ’oorlogsgasten’: uit het gebombardeerde Rotterdam, uit het onder water gezette Zuidland. Er is voor iedereen eten en onderdak. Hun eigen zoon moet echter aan de slag voor de bezetter.

Organisation Todt

Arie wordt als Organisation Todt-arbeider eerst in Haamstede tewerkgesteld. De Duitse minister Fritz Todt is de oprichter van deze organisatie, vallend onder het ministerie van Bewapening en Munitie. Maar liefst 1.400.000 mensen werken, op vrijwillige basis of in het kader van de Arbeitseinsatz, namens O.T. aan bunkers, kustversterkingen en wegen.

Later werkt hij in Estland voor het Duitse ingenieursbureau Karl Heuck te Stettin. Eerst werkt hij op een bouwstelling: ’Ik zit hier in de bouwerij en sjouw hier meest van alles’. Later kapt en verwerkt hij bomen. Weer later rijdt hij rond als chauffeur op een vrachtwagen.

’s Avonds schrijft hij brieven, vooral aan zijn ouders en aan Marie. De ene brief is netjes geschreven, de andere is slecht te lezen, want geschreven in het donker bij een enkele petroleumlamp.

Arie schrijft zijn eerste brieven in juni 1943 vanuit Slachtensee bij Berlijn. ’We weten niet waar we heen gestuurd worden. We zullen wel in Rusland of Noorwegen terechtkomen om te werken (...) Ik sla mijn eigen er maar doorheen, want het moet toch’.

Begin juli 1943 krijgt hij een Feldpostnummer: 10906 Heuck O.T. Arbeider. Hij hoopt nu eindelijk brieven te krijgen, schrijft hij vanuit een kelder in Saka – vlakbij de Finse Golf. Er zitten daar nog twee Rozenburgers, Leen en Aart.

In de oorlog verdwenen oom komt tot leven in een zestigtal brieven: ’Ik sla mijn eigen er maar doorheen, want het moet toch’
Fragment uit een brief.
© Foto collectie familie Bergwerff

Arie maakt zich zorgen om Marie: ’Je spreekt haar maar frissche moed in en dat zei niet met haar handen in het haar gaat zitten’. (...) Ja ik ben blij dat wij nog een fhoto van ons beide hebben gemaakt, want nu heb ik tenminste nog iets om eens naar te kijken’.

Na een week wordt hij ondergebracht in een barak in Kivioli. Op 1 september 1943 schrijft hij dat hij voor het eerst in drie maanden post heeft ontvangen, ’van Marie de meeste natuurlijk’. ’Zoodoende kan ik al het nieuws wat er in de tusschentijd gebeurd is op Rozenburg lezen’.

Er worden ook jongens naar het front gestuurd: ’Geen een is er vrijwillig naar toegegaan hoor want ik was er zelf ook haast bij, maar zij zijn er zoo uitgepikt’. Pakketten sturen hoeft niet: ’Ik heb tot heden niets nodig. Je behoeft je over mij niet ongerust te maken hoor’.

’Maar al heb ik het zoo goed hier ik heb het liever slecht thuis hoor’ (...) ’Ik ben hier niet vrijwillig’. Hij maakt lange dagen: ’We beginnen om 6 uur tot 4 uur (...), de zon is hier toch zoo vroeg onder’.

’Boomen rooien’

Op 14 november 1943 meldt hij dat hij op een andere plaats zit: het zuidelijker gelegen Avinurme.

’We zitten nu in het bosch en zijn daar aan het boomen rooien en op maat zagen’. De O.T.-arbeiders krijgen af en toe een pakket met drank en rookwaar. ’Ik ruil cigaretten dikwijls om voor brood of iets anders, want het eten is mij meer waard als rooken’.

Hij heeft recht op verlof na een half jaar, maar is er op 29 november 1943 somber over: ’Wij zullen hier wel Kerstfeest vieren en wij zullen verder wel zien hoe het loopt’.

Na de kerst schrijft hij: ’Wij hebben bij die menschen waar wij altijd komen wezen eten, en hebben met zijn vieren Kerstliederen gezongen’. Hij schuift vaker met Leen aan bij deze vriendelijke Estse boeren. Eenmaal terug in de barak ’was de helft dronken.’

Ziekenbarak

Op 11 januari laat hij vanuit Avinurme weten ’in een witte wereld’ te zitten: ’Met de kou gaat het nogal, wel vroor het 20 graden maar daar heb je hier niet zoo veel last van. We zijn gewend iedere dag buitenwerk te doen’. Oorlogsgeweld is er niet: ’Het is hier nog stil en wij slaapen nog rustig’.

In een brief van 13 maart 1944 richt Arie zich tot zijn moeder. Hij heeft een boom op zijn voet gekregen en ligt in de ziekenbarak. Hij bezweert haar dat hij in zijn brieven niets achterhoudt. ’Wat ik schrijf is waar en ook niet minder en ook niet erger’.

’Ja Moeder, wij moeten het overgeven aan onze God, die weet wat er met ons te gebeuren staat en daarom bidden wij iedere dag om uitkomst en vrede, (...) wij moeten steeds gelooven en vertrouwen’.

Ziekenbarak

Vijf weken ligt hij in de ziekenbarak. Hij leest en damt en is veel bezig met thuis: broer Jaap heeft een baan en een kind, zus Marie gaat trouwen en – schrijft hij – ’Ik ben blij toe dat Marie maar niet op mijn gewacht heeft om te gaan trouwen. Voorloopig is er nog geen zicht op dat ik met verlof kom’.

Ook de oorlogspijn op Rozenburg, waarover hij leest in de brieven die hij krijgt, houdt hem bezig.

Begin mei 1944 blijkt dat hij werkt als vrachtwagenchauffeur. ’Ik rij een beetje hier op de Bouwstelling. De wegen zijn haast niet rijbaar. Wat voor een land hier is, ik weet het niet’.

In de volgende brieven grijpt de censuur in. Bij zijn brieven wordt de plaatsnaam weggelakt. Uit een brief van zijn vader ’was de helft uitgeknipt dus er zal wel iets over de oorlog in gestaan hebben’.

Invasie

Een brief van 11 juni 1944 laat zien dat hij weet heeft van de invasie in Normandië, maar hij is niet optimistisch. Ook schrijft hij: ’Er gaat geen Hollander met verlof eer de Krieg afgelopen is’.

Op 27 augustus 1944 schrijft hij: ’Net of het hier geen oorlog is. Ik geloof dat de oorlog nu wel spoedig afgeloopen zal zijn, want het gaat overal hard’. ’Men denkt wel eens laat God toch al zulke dingen nog toe, (...) wij moeten wachten en geduldig zijn’.

Uit een brief uit Dantzig van 12 september 1944: ’Jullie zullen wel gedacht hebben, waar zou die jongen zitten, maar ik zit nu veilig in Duitschland, per schip gisteren aangekomen. Ik heb nog geen vast veldpostnummer dus terugschrijven kan je nog niet, maar dat komt wel.’

Het blijkt de laatste brief te zijn die nog bij zijn ouders aankomt.

Motorpech

Arie wordt, zo is het verhaal in de familie, gedwongen om in Oost-Pruisen burgers te evacueren, die op de vlucht slaan voor het oprukkende Russische leger. Op een kwade dag slaat zijn truck af, motorpech in de vrieskou.

’Rijden jullie maar door’, zegt hij tegen zijn maat Leen, die ook chauffeur is. Het is het laatste wat er van hem vernomen is. Het kan zijn dat hij gevangen genomen is door de Russen, het kan ook zijn dat hij bij of in zijn auto door overvliegende Russische vliegtuigen met mitrailleurs is doodgeschoten.

Bij de brieven van Arie, inmiddels in het bezit van het NIOD, zitten ook brieven van mijn opa Jacob van der Knaap. In mooi Duits vraagt hij het Duitse Rode Kruis om informatie over zijn zoon. Hij benadert het Nederlandse Rode Kruis, schrijft een Kamerlid aan.

Tot ver na de oorlog blijft hij bij de autoriteiten aankloppen om inlichtingen. Het blijft echter doodstil rond zijn zoon.

De vermissing van Arie is in meerdere opzichten een droevig verhaal. Zijn zussen zijn dik bevriend met Marie, zijn verloofde. Enkele jaren na de oorlog krijgt Marie van haar familie te horen dat ze haar leven weer moet oppakken. Ze kan maar beter breken met de familie Van der Knaap.

Marie brengt haar ring naar mijn opa en oma. Die ligt daarna in een la te wachten op het moment dat ik 18 jaar wordt. Ik ben zeer gehecht aan deze ring.

Mijn oma Neeltje heeft tot haar dood in 1962 verwachtingsvol naar de voordeur gekeken. De deur waardoor Arie op een mooie dag naar binnen zou komen lopen. Vermist is vreselijk. Geen plek om te rouwen, geen antwoord op alle vragen. ’Wist je maar wat, kreeg je maar een doodsbericht’, verzucht ze.

Bron: ’Rozenburg in Oude Ansichten’ van Jo Bergwerff.

Lees hier alle verhalen over 75 jaar bevrijding

Meer nieuws uit Achtergrond

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.