Premium

Merlyn Frank werd als driejarig meisje ternauwernood uit handen van de Nazi’s gegrist en zal haar verhaal altijd blijven vertellen

Merlyn Frank werd als driejarig meisje ternauwernood uit handen van de Nazi’s gegrist en zal haar verhaal altijd blijven vertellen
Merlyn Frank: ,,Ik blijf het verhaal vertellen. Als het niet meer wordt verteld, is het misschien ook niet meer gebeurd.’’ Aan de wand van het bureau een foto van haar ouders.
© Foto Hielco KUIPERS
Oegstgeest

Merlyn Frank – geen familie van Anne Frank – is een van de geïnterviewden tijdens de herdenking 75 jaar bevrijding Auschwitz en de onthulling van het monument Levenslicht, komende maandag in Leiden. Ook in andere (regio)gemeenten wordt dat tijdelijk monument van lichtkunstenaar Daan Roosegaarde onthuld (zie het paspoort). Komende dinsdag geeft ze in dat verband een lezing in Oegstgeest.

Lees hier alle verhalen over 75 jaar bevrijding

Op reis, spannend!

„Mijn moeder had gezegd dat we op reis zouden gaan. Dat leek me heel spannend. Ik mocht mijn eigen poppenkoffertje meenemen.

Die 25ste mei kwam er een grote, open laadwagen voorrijden in onze straat. Die was al heel vol, wij en veel andere mensen uit de straat konden er nog amper bij. Het was alsof de huizen in onze buurt de mensen met sterren allemaal uitspuugden.

We reden naar een groot plein, naar ik later hoorde, het Muiderpoortstation. Daar wachtten nog heel veel andere mensen met sterren op hun jassen. Even later werd omgeroepen dat we ons naar de wachtende trein moesten begeven. Wij konden dus min of meer meteen doorlopen en het lukte om voor in de trein, dicht bij de ingang, een zitplaatsje te vinden.”

Vreemde mensen

„In mijn herinnering reed de trein heel langzaam, het schoot maar niet op. Bij een perron onderweg kwam de trein ineens tot stilstand. Voor ons raampje verschenen twee gezichten, die naar mijn moeder gebaarden. Ik snapte er niets van, maar mijn moeder stond op, mijn broertje onder haar arm, ik liep met mijn koffertje automatisch achter haar aan. In de deur, die al open was, stonden een mijnheer en een mevrouw. De vrouw rukte de baby uit mijn moeders arm en rende weg. De man tilde mij van de hoge afstap af en rende met me de fietsenstalling in. Het gebeurde allemaal razendsnel. Ik probeerde nog om te kijken naar mijn moeder, maar die was al niet meer te zien. De man zette mij op zijn bagagedrager en fietste als een bezetene weg. Tijdens die snelle rit viel het rode zuurtje, dat ik in Amsterdam nog van mijn vader had gekregen, op straat. Ik schreeuwde, de man schrok en stopte. We gingen samen zoeken, maar konden het snoepje niet meer vinden. Het verlies ervan was voor mij een kleine ramp, waarover ik later nog veel gejengeld schijn te hebben.”

’Lastig kind’

„Achteraf vermoed ik dat mijn moeder ons niet bewust heeft willen behoeden voor een zekere dood. Ze was ervan overtuigd dat ze naar een wérkkamp zou gaan en in dat geval zou het lastig zijn om kinderen mee te nemen. Het valt toch ook buiten je voorstellingsvermogen dat je wordt gedeporteerd om dood te gaan? Dat je ergens komt waar schoorstenen continu staan te roken omdat al die vergaste mensen verbrand moeten worden?

In Westerbork heeft mijn moeder nog tegen een vriendin gezegd dat ze er ’een goed gevoel’ bij had. Helaas heeft ze nooit geweten dat haar reflex goed is uitgepakt. Ze kon niet weten dat het Utrechtse studenten waren, die zoveel mogelijk Joodse kinderen probeerden te redden. Hulde voor die jonge helden. Zonder hen had ik dit verhaal niet kunnen vertellen.”

Zwanger in oorlog

„Je kunt je ook afvragen waarom mijn ouders onder die vreselijke omstandigheden nog een kind hebben willen krijgen? Mijn broertje, Philip, is van februari 1943, in een tijd dat Joden al lang en breed werden vervolgd. Philip was ook nog maar een paar maanden toen we moesten worden gedeporteerd.

Maar misschien had die zwangerschap twee kanten: misschien wilden mijn ouders verder kijken dan het moment, toekomstgericht zijn en het leven doorgeven. Anderzijds gaf de zwangerschap extra zorgen, ook bij het vinden van schuilplekken. De ons beloofde onderduikplaats op een boerderij in West-Friesland ging om die reden niet door. Wie wilde een zwangere vrouw, met al die extra risico’s van dien, verbergen?”

Vreemde omgeving

„Na vier of vijf adressen, waar ik korte tijd verbleef, kwam ik bij een gezin terecht dat het wel aandurfde om tot het einde van de oorlog een Joods kind in huis te nemen. Dan word je als driejarige plompverloren neergeplant in een totaal andere omgeving; een bizarre ervaring. Ik had niets vertrouwds meer. In plaats van Lieneke Frank werd ik Puck van Neck. Mijn pleegouders stonden erop dat ik hen met pappa en mamma aansprak en ze af en toe een kusje gaf. Een haast fysieke weerstand heeft me daar lang van weerhouden.

Ik werd in die periode een moeilijk meisje, altijd op mijn hoede en boos op de wereld, vooral op mijn moeder, die me zomaar aan vreemden had weggegeven. Ik was een lastig, ongezeglijk meisje, dat veel wegliep, maar altijd door de politie of een leraar werd teruggebracht. Na het zoveelste conflict dreigde mijn pleegvader: ’Als jij je niet beter gedraagt, dan komen je ouders niet terug’. Vanaf dat moment probeerde ik wat liever te zijn, maar het bleef moeilijk. De Van Necks hadden er – heel moedig – voor gekozen om tot het einde van de oorlog een kind in huis te nemen, maar bleven onbedoeld nog vijftien jaar met een vervelend, ondankbaar kind opgescheept. Met onze relatie vol goede bedoelingen, misverstanden en frustraties is het nooit meer goed gekomen.”

De hoop blijft

„Ik was vijf jaar toen de oorlog was afgelopen. Ik ging uitkijken naar de terugkomst van mijn ouders. Na een tijdje verschenen er van gemeentewege lijsten met namen van mensen, die al dan niet waren teruggekeerd. Vaak ging mijn pleegvader op die lijsten kijken, soms ging ik mee.

De eerste bekende namen waren die van mijn grootouders: Philip en Elisabeth Frank-Koster. Er stond: ’overleden, niet teruggekeerd’.

Een paar maanden later lazen we de namen van mijn andere grootouders: Isaac Witteboon en Merlina Witteboon-Vorst. ’Overleden’; verdwenen, weg.

Mijn opa’s en oma’s waren – zo sprak ik mezelf toe – ook al tamelijk oud geweest. Pappa en mamma waren nog jong en sterk, die zouden zo’n werkkamp zeker overleven. De hoop en onzekerheid bleven – die zou nog tot 1949 duren.”

De hoop vervliegt

„Ik was negen, zat op school toen de hoofdonderwijzer de klas in kwam en zei: Lineke, in mijn kamer wacht iemand op je. Mijn hart sprong op: eindelijk zou pappa of mamma er zijn, en misschien wel allebei. Maar in de kamer zat mijn pleegvader met een papier in zijn hand. Met veel omhaal las hij het bericht van het Rode Kruis voor, waarin stond dat ’moest worden aangenomen’ dat mijn ouders Abraham en Koosje ’na een reis van drie dagen en drie nachten’ op 16 juli 1943 in Sobibor waren aangekomen en direct na aankomst waren vergast. De hoofdonderwijzer bracht me terug naar de klas. Ik begon weer aan mijn sommen. In het speelkwartier knikkerde ik met klasgenootjes. Ik zei niets.”

Weerzien broertje

„Mijn drie maanden oude broertje bleek door een machinist van de spoorwegen en diens vrouw, een kinderloos echtpaar, in huis te zijn genomen. Ze hebben zielsveel van hem gehouden. Op een zeker moment wist ik van zijn bestaan, maar hij nog niet van het mijne. Zijn pleegouders hadden hem nog niets verteld, ze schoven de waarheid steeds voor zich uit. We moeten ongeveer acht en elf zijn geweest toen we beseften broer en zus te zijn en elkaar voor het eerst ontmoetten. We bleken vreemden voor elkaar, deelden geen herinneringen aan een gemeenschappelijke jeugd.

Er was nog een familielid dat de oorlog had overleefd doordat hij ondergedoken had gezeten: oom Sal, de broer van mijn moeder. Hij probeerde na de oorlog alsnog om mij en mijn broertje in huis te krijgen, maar dat is hem, ondanks een rechtszaak die hij ervoor aanspande, niet gelukt. Het getouwtrek om de Joodse wezen was inmiddels begonnen. Enkele herrezen Joodse organisaties en met name de Stichting Oorlogs Pleegkinderen oordeelden dat de wezen in hun pleeggezinnen moesten blijven.”

Boek over moeder

„Dankzij een vriendin, die een paar maanden met haar in Westerbork is opgetrokken, heb ik de laatste periode van het leven van mijn moeder kunnen reconstrueren en daardoor heb ik er een boek over geschreven: Koosje, een dinsdagskind. Zo noemde mijn moeder zichzelf omdat alle mooie dingen in haar leven op een dinsdag hadden plaatsgevonden. Alleen de laatste ervaring was geen mooie: de trein die haar op een dinsdag naar Sobibor bracht.

Die vriendin, Rietje van Aalst, heeft Auschwitz overleefd en nam na de oorlog contact met me op. Ze wist nog allerlei details. Zoals de benedenbuurman, die vlak voor onze deportatie om onze piano kwam vragen en die meekreeg. (’Want het was niet goed als er zo lang niet op werd gespeeld’.) Die piano hebben mijn broertje en ik natuurlijk nooit meer teruggezien. Maar ze wist ook allerlei details over het opgewekte karakter van mijn moeder.

Rietje heeft me geholpen met het boekje. We hebben contact met elkaar gehouden totdat ze overleed. Ze was als een tante voor me.”

Naar Sobibor

„Begin deze eeuw zijn mijn broer Philip en ik naar Sobibor gereisd om afscheid te nemen van onze ouders, grootouders, nichten en neven en nog 200.000 anderen. Daar lag een asberg met de resten van 200.000 slachtoffers. We hebben een immense foto van onze ouders in die treurige berg geplant en die zo een ’gezicht’ gegeven. Philip en ik hebben onze ouders toegesproken, zo van: pap, mam, Abraham, Koosje, hier zijn we, we hebben het overleefd en het gaat ons goed. Hoe kort jullie leven ook is geweest, jullie leven voort, niet alleen in ons, maar ook in onze kinderen en kleinkinderen.

Ik beloofde de wereld te zullen vertellen wat daar in die uithoek van Polen had plaatsgevonden. Een mooi afscheid. Ik denk dat ze ons hebben gehoord.”

Niet ’zielig’

„Mensen vragen zich vaak af of ik cynisch ben geworden of zielig ben. Ab-so-luut niet! Ik wilde voor geen goud in de slachtofferrol blijven hangen. De hele geschiedenis heeft me beschadigd, maar niet gebroken. Het is een lelijk litteken, dat altijd stilletjes met me mee reist.

Ik ben altijd sceptisch en enigszins wantrouwend geweest. Ik voelde me vaak onbegrepen. Er werd vooral veel gezwegen. Ik was altijd zuinig met mijn tranen, klaagde zelden, wanhoopte weinig. Als ik al jammerde, dan was dat vanbinnen. Het is niet uit te sluiten dat een lichte vorm van ’overlevingsschaamte’ en misplaatste trots daarbij meespeelden. Schaamte, want ik had niet in een kamp gezeten. Competitie in leed, heette dat zo vlak na de oorlog. Onderduikers kwamen op het tweede plan. En met trots bedoel ik: ik wilde om die reden niet huilen of jammeren.

Op cruciale momenten waren er uitgestoken handen van vrienden, die steeds loyaal bleven. Door de jaren heen ben ik ook gaan beseffen dat een mens maar één leven heeft en we het daarmee moeten doen. Ik tel dus mijn zegeningen.”

Blijven vertellen

„Ik heb na Koosje nog twee boeken geschreven. Regelmatig vertel ik op scholen wat er is gebeurd en jaarlijks spreek ik bij de herdenking van de ontruiming van het Joods Weeshuis in Leiden. Het Geschiedenis Magazine heeft onlangs tien afleveringen van mijn herinneringen gepubliceerd. Ook bij de komende Auschwitz-herdenkingen zal ik graag aanwezig zijn. Want ik blijf het verhaal vertellen. Als het niet meer wordt verteld, is het misschien ook niet meer gebeurd.

Paspoort

Merlyn Frank

Leeftijd: 79 jaar

Woonplaats: Oegstgeest

Opleiding: tolkenschool in Genève (niet afgemaakt)

Beroep: Merlyn Frank werkte jarenlang bij de Israëlische luchtvaartmaatschappij El Al. Ze schreef Koosje, een dinsdagskind, Vliegende Keep en Ver weg en heel dichtbij

Nota bene: ze wordt geïnterviewd tijdens de herdenking van 75 jaar bevrijding Auschwitz en bijbehorende onthulling monument Levenslicht op 27 januari in Leiden, zie www.dodenherdenkingleiden.nl Op 28 januari geeft ze een lezing in het Oegstgeester gemeentehuis (19.15 uur).

Ook in Katwijk, Lisse, Alphen, Leiderdorp, Oegstgeest, Voorschoten, Wassenaar en Teylingen wordt het monument Levenslicht onthuld, zie www.4en5mei.nl

Burgerlijke staat: partner, twee zonen

Meer nieuws uit Achtergrond

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.