Premium

Ria van der Vaart: ’Het emotioneert me nog altijd als ik lees wat een barre tocht dat was in de Hongerwinter’ [video]

Ria van der Vaart: ’Het emotioneert me nog altijd als ik lees wat een barre tocht dat was in de Hongerwinter’ [video]
Ria van der Vaart: „Als je dat leest, het was echt een barre tocht. Het emotioneert me nog altijd.’’
© Foto Peter Schat
Beverwijk

Ria van der Vaart uit Beverwijk is in 1939 geboren. Op Burgemeester Lovinkstraat 4 in de Anna Paulownapolder te Breezand hadden haar ouders voor 3000 gulden een huis gekocht met een fikse tuin. Daar kweekte haar vader, die arbeider was bij een bollenboer, bloemen, groente, fruit en aardappelen. Voldoende om alle monden thuis, tien kinderen werden er geboren, te voeden, plus nog uit te delen aan hongerigen die zich meldden.

Die kwamen in de Hongerwinter van heinde en verre naar de Noordkop. Uit Amsterdam, maar ook uit Den Haag, Rotterdam zelfs. Eten was er mondjesmaat, sommigen kregen maar drie aardappelen, of een kilootje.

Wat er weg te geven was kregen ze mee. Betaald werd er niet. „Dat sociale, dat zit er bij ons allemaal in, dat hebben we allemaal van huis uit meegekregen. In een groot gezin kan veel, hè. En we zijn allemaal goed terecht gekomen.”

Twee mannen op voedseltocht, Amsterdammers Roukes en Verheul, werknemers van Werkspoor, reisden op voedseltocht naar Anna Paulowna en hebben bij het gezin Van der Vaart de nacht doorgebracht. „Zittend op een stoel, want slaapplaatsen hadden we niet”, weet Ria nog. „Schuilend voor het bar slechte weer waren ze bij ons beland.”

Ria van der Vaart: ’Het emotioneert me nog altijd als ik lees wat een barre tocht dat was in de Hongerwinter’ [video]
De familie Van der Vaart in 1945, voor vader overleed. Ria, de een na jongste, staat vooraan. Haar kleine broer Piet staat links op de regenbak.

De volgende ochtend fietsten ze, beladen met voedsel, terug naar Amsterdam. Ze schreven een bedankbrief, getikt op briefpapier van Werkspoor, die tot 2016 in de familie is gebleven. Toen het kistje met de brief erin bij Ria terechtkwam, heeft ze het een jaar later aan het Niod geschonken, het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie.

Ze vond het de moeite waard het verslag van de tocht op die manier te bewaren. „Als je dat leest, het was echt een barre tocht. Het emotioneert me nog altijd en dan denk ik, we hebben nooit meer sneeuw of ijs. Ik weet als kind nog wel dat we dat hadden, maar zo koud als het toen was in januari, enorm.”

Maagoperatie

In 1946 overleed haar vader in het ziekenhuis te Alkmaar tijdens een maagoperatie. Ria was toen nog maar zes jaar, want ze ging nog niet naar school. Van de oorlog heeft ze weinig herinneringen, flarden, omdat ze zo jong was. Ze herinnert zich wel dat de buurman het gezin aangaf omdat de radio niet ingeleverd was. De Duitsers kwamen in huis.

Ria van der Vaart: ’Het emotioneert me nog altijd als ik lees wat een barre tocht dat was in de Hongerwinter’ [video]
Het ouderlijk huis Burgemeester Lovinkstraat 4 in de Anna Paulownapolder, met ervoor de nu 82-jarige zus Hannie van Ria van der Vaart.

Of ze toen zagen dat haar moeder een grote houten Miele-wasmachine had weet ze niet, maar de Duitsers, die in het gymlokaal van de school naast het huis ingekwartierd waren, verplichtten haar wel de was voor hen te doen.

„Die wasmachine was toch wel een luxe, want we hadden het niet breed. Er viel veel te wassen bij ons want we waren allemaal nog thuis, inclusief mijn oudste zuster die 21 was in het laatste oorlogsjaar. Er werd elke dag een grote was gedaan, dus daar had je helemaal geen erg in dat de spullen van de Duitsers meedraaiden.”

Chocola

Dat de Canadese bevrijders chocola uitdeelden is haar ook bijgebleven. En kaalscheren van de meisjes die het met de Duitsers hadden gehouden. „Als kind kan ik me dat toch nog wel herinneren.”

Na de oorlog vloog het gezin uit. Op 3 augustus 1945 trouwde haar oudste zus, zij had een verloofde die acht jaar ouder was dan zij. Ria ging in 1956 de verpleging in.

De opleiding in Alkmaar was niet voor haar weggelegd, omdat ze geen geld had om een uniform en kousen te kopen. Daarom ging ze naar Vogelenzang in Bennebroek in de psychiatrie. Die instelling stelde namelijk het uniform beschikbaar aan leerling-verpleegsters.

Na zes jaar kwam de overstap naar het Rode Kruisziekenhuis in Beverwijk en verhuisde ze naar die plaats.

Vijftien jaar werkte ze er en in dat laatste jaar, ze was 37, was het ’pang’ in haar hoofd en kreeg ze enorme hoofdpijn tijdens een zondagsdienst. Ze werd in een bed gelegd en bleek een aneurysma te hebben, het was misgegaan met een bloedvat van haar hersenen.

De neuroloog voor wie ze werkte, dr. Van Meurs, liet haar naar Leiden overbrengen waar de dag erop de bloeding werd afgeklemd. „Ik ben er heel netjes vanaf gekomen.”

Ze was al aangenomen bij het ziekenhuis in Haarlem en die overstap ging door ’omdat toen al gezegd werd dat ze er niets aan over zou houden.”

„Mijn moeder had, zo weet ik altijd nog, een wit kistje, waarin ze de bonnen bewaarde. Ook na de oorlog waren er nog bonnen waar je boter en suiker en spullen op kreeg. Daar zat ook uiteindelijk de bedankbrief bij. Bij het overlijden van mijn moeder in 1982 is dat kistje naar mijn zus gegaan en die heeft toen die spullen in huis genomen. Zij werd ziek en gaf veel spullen van huis aan mijn jongste broer, die veel bij haar kwam.’’

Via hem kwam de brief dus bij haar en zo bij het Niod.

Ria van der Vaart: ’Het emotioneert me nog altijd als ik lees wat een barre tocht dat was in de Hongerwinter’ [video]
Drie zussen Van der Vaart, met Ria rechts, in jurkjes die hun moeder maakte van de lap stof die Roukes en Verheul als dank kwamen brengen.

Haar zus Hannie, die nu 82 is en in Drenthe woont, herinnert zich dat de twee Amsterdammers nog terug zijn geweest tijdens de Hongerwinter, wat ze ook aankondigden in de bedankbrief. Ze hebben toen hun moeder, die heel goed kon naaien, een lap stof gegeven waarvan zij voor de drie zussen jurkjes heeft gemaakt.

Lees hier alle verhalen over 75 jaar bevrijding

Tekst bedankbrief

Amsterdam, 22 januari 1945

Geachte familie v.d. Vaart,

Wij willen U even melden, hoe onze terugreis naar Amsterdam is verlopen. Wij dachten, wij moeten eerst maar eens een eindje lopen, misschien wordt de weg later beter berijdbaar. Wij hebben inderdaad later ook geprobeerd, of wij konden fietsen, maar reeds bij onze eerste poging gingen wij tegen de grond. Wij besloten toen maar verder te lopen, totdat er of een auto zou komen die ons zou kunnen medenemen of dat de weg minder dik besneeuwd zou zijn.

Toen wij weder enige tijd gelopen hadden, ontmoetten wij een Haarlemmer, die ook niet kon fietsen. Met zijn drieën liepen wij toen maar weer verder. Niet lang daarna kwam ons een grote vrachtwagen achterop en de man uit Haarlem, die ook op de terugreis was, had de tegenwoordigheid van geest, om hem onmiddellijk aan te houden.

Tot onze grote vreugde hield de auto vaart in en stopte bij ons. De chauffeur was zeer tegemoetkomend. Wij vroegen, of hij ons kon medenemen en waar hij naar toe moest. Het bleek, dat hij haar Bergen moest en toen hij hoorde dat wij naar Amsterdam en de andere man naar Haarlem moest, zeide hij: „Ja, dat dacht ik wel, stap maar gauw in, de zakken er maar af, want straks zullen er nog wel meer komen die willen mederijden.”

Na enige moeite was alles ingeladen. Het duurde niet lang, of er was weer iemand die de wens te kennen gaf mede te rijden en zo ging het maar door. Zelfs een groep, die met een handkar liep, mocht mederijden. De bagage werd ingeladen en de kar werd aan de auto vastgemaakt. Aan de kar werd weer een driewieler gebonden. Het was zo dus een hele colonne geworden en op de auto, een grote trailer, was het dringen geworden. Alle fietsen waren achter elkander gezet en de bagage was achteraan geplaatst. Daarop vonden de mensen een plaats.

Het was een groot voorrecht natuurlijk, dat wij konden mederijden, maar het was zeer koud. Zo nu en dan ontlastte zich boven onze hoofden een flinke sneeuwbui. Gedurende de rit trokken ook nog grote aantallen vliegtuigen over. Dat was een prachtig gezicht, want in de diep blauwe lucht, als hij tenminste niet geheel bewolkt was, verschenen de vliegtuigen als pijlen. De vliegtuigen lieten namelijk mooie witte lijnen achter, een gevolg van het condenseren van de uitlaatgassen in de koude lucht.

Circa drie kilometer voor Alkmaar, waar een wegsplitsing is, werden wij afgezet. De auto ging daar een zijweg op naar Bergen. De chauffeur kreeg van alle, die medegereden hadden aardige beloningen. Rijksdaalders, guldens, briefjes van tien gulden, al naar men missen kon, dat had hij dan ook ruimschoots verdiend.

Toen wij uitgestapt waren en onze bagage weer zouden opbinden, kwam er een hevige sneeuwjacht. Wij voelden ons als mensen, die in Siberië op reis waren en dachten ’hoe moeten wij vandaag nog thuis komen met dit verschrikkelijke weer!’ De wegen werden hoe langer hoe meer onbegaanbaar en aan fietsen dachten wij hoe langer hoe minder. Zodra de sneeuwbui over was, gingen wij weer op pad, lopende natuurlijk.

Ria van der Vaart: ’Het emotioneert me nog altijd als ik lees wat een barre tocht dat was in de Hongerwinter’ [video]
Eerste kantje van de bedankbrief die de Amsterdammers Roukes en Verheul schreven op briefpapier van hun werkgever Werkspoor op 22 januari 1945.

Een eindweegs verder konden wij onder de beschutting van een muur wat eten van het brood, dat wij nog bij ons hadden en toen hebben wij gelopen tot even onder Uitgeest. De wegen waar daar veel beter, het had daar blijkbaar minder gesneeuwd dan elders.

De heer Roukes kon op de andere wegen wel fietsen, maar ik niet. Maar bij Uitgeest dacht ik ’hier zal het waarschijnlijk wel gaan; in ieder geval moet ik het nog maar eens proberen’, en werkelijk, het lukte. Wij konden toen fietsen tot Wormerveer, waar wij even van de fietsen af moesten.

Doordat het inmiddels weer hevig was gaan sneeuwen, waren de wegen weer onbegaanbaar en bij onze pogingen weer op de fiets te komen, vielen wij beiden. Burgers hebben ons weer op de fiets geholpen en een eindje met ons medegelopen om ons wat vaart te geven, want zodra je maar vaart hebt, gaat het wel. Wij konden toen weer aan een stuk doorfietsen tot de pontonbrug (aan elkaar gekoppelde ponten).

Bij de Hembrug, maar helaas ook daar moesten wij van de fiets af. Met hulp van een voorbijganger kon de heer Roukes zijn fiets weer bestijgen, maar mij lukte het niet meer. Ik viel tweemaal en de tweede keer bezeerde ik mijn heup nogal, zodat ik van verdere pogingen afzag en besloot verder te lopen.

Ik verzocht de man, die mij geholpen had, de heer Roukes, die natuurlijk een flinke voorsprong op mij had gekregen, even te waarschuwen, dat ik lopen moest. Het lopen was echter geen pretje, want het begon aardig donker te worden (het was ca. half zes) en het sneeuwde maar aan een stuk door, zodat de wegen hoe langer hoe meer onbegaanbaar werden.

Het was vaak een hele toer, de zwaar bepakte fiets in evenwicht te houden of door te krijgen. Het vervelende was ook, dat men genoodzaakt was, vrij snel te lopen, omdat anders alle kans bestond, dat men niet voor acht uur thuis was. Vele malen had ik even willen rusten, maar ik gunde mij er geen tijd voor.

Enfin, na een eindeloze tocht was ik klokslag acht uur thuis, waar men mij reeds verwacht had. Ze waren natuurlijk allen zeer verheugd, dat ik in goede welstand en beladen thuis gekomen was. Ik was echter zeer vermoeid door het snelle lopen en sjouwen door de sneeuw. Enfin, het leed is weer geleden. De gehele zondag ben ik thuis gebleven om uit te rusten.

In de loop van de dag kwam de heer Roukes mij opzoeken en informeren, hoe ik thuis was gekomen. Hij was door die man, die ons had geholpen, gewaarschuwd, dat ik lopen moest en is toen afgestapt. Hij heeft geruime tijd op mij gewacht, maar omdat hij veel verder woont dan ik, kon hij niet langer blijven wachten en is toen ook verder gaan lopen.

Achteraf is gebleken, dat wij betrekkelijk kort achter elkander gelopen hebben. De heer Roukes was vijf minuten voor acht thuis. Hij was niet zo vermoeid als ik. Wij waren zeer verheugd weer thuis te zijn en waren blij dat wij maar doorgezet hebben, daar het zondag minstens even slecht was als zaterdag en er in ieder geval nog meer sneeuw lag. Ook was het een groot geluk, dat wij die auto hebben gehad, want anders hadden wij zeker in Krommenie of daaromtrent blijven steken.

Achteraf kunnen wij dan ook met veel genoegen op onze tocht terugzien. Onze huisgenoten waren blij met de buit en wij hopen daar een nuttig gebruik van te maken. De aardappelen hebben wij reeds gegeten en zij zijn prima. Wij willen van deze gelegenheid gebruikmaken, u mede namens onze huisgenoten nog eens hartelijk dank te zeggen voor de gastrvije ontvangst, die wij bij u hebben genoten en voor de goede zorgen, die u aan ons hebt willen besteden.

Waarschijnlijk komen wij over ca. veertien dagen bij leven en welzijn de resterende aardappelen halen, waarbij wij hopen, eventueel nog iets anders te kunnen medenemen. Ontvangt u bij deze onze beste wensen en hartelijke groeten, mede namens onze wederzijdse familie. Tot ziens hoor.

Roukes, Verheul

Ria van der Vaart: ’Het emotioneert me nog altijd als ik lees wat een barre tocht dat was in de Hongerwinter’ [video]

Meer nieuws uit Kennemerland

Meest gelezen