Premium

Wanhopig probeert 14-jarige IJmuidenaar de weg naar huis te vinden tussen bomkraters en dode Engelse piloten

Maartje en Dirk Brode hebben zeer levendige herinneringen aan de oorlog.
© Foto Bart Vuijk
IJmuiden

Hoe een 14-jarige IJmuidenaar in 1945 overleefde in zwaar gebombardeerde oorlogsgebied.

Verdwaasd loopt Dirk Brode, 14 jaar oud, over het gigantische, 8 vierkante kilometer grote fabrieksterrein van de Leuna Werke in de buurt van Halle en Leipzig. Het is begin 1945 en er is net een enorm bombardement geweest.

Brandweerlieden proberen paniekerig de vele branden in het kolossale chemische fabriekscomplex te blussen. Doden en bomkraters om hem heen. Vette paniek overal. Maar Dirk wil maar één ding en stapt stug door. Hij wil naar huis, naar zijn moeder. En die is in Halle.

Wat Dirk niet weet, is dat honderden dwangarbeiders uit Beverwijk en Velsen-Noord hier ook in de buurt zitten. Hij heeft ze enkele maanden eerder nog als gevangenen van de Duitsers naar het station van Beverwijk zien marcheren, maar heeft geen idee dat zij nu ook hier zijn. De IJmondse gevangenen werken nu in de fabriek en rondom het terrein.

Dirk is echter geen dwangarbeider. Daar is hij veel te jong voor. Hij moest met zijn moeder en jongere broertjes vanuit Velsen-Noord naar deze streek, omdat het volgens de Duitse autoriteiten in de Nederlandse kuststreek ’voor Duitsers te gevaarlijk werd’.

En Dirk Brodes vader is Duitser, dus is Dirk ook een Duitser volgens de opvatting van de nazi’s. Geheel buiten de razzia om, maakte hij ongeveer gelijktijdig dezelfde reis als de razzia-arrestanten. Naar hetzelfde gebied.

Moeder en vader Brode, een Nederlands-Duits echtpaar.

Vliegende forten

En wát voor gebied. Zwermen vliegende forten hebben hun dodelijke last laten vallen op de Leuna-fabriek en de wijde omgeving. Dirk loopt al uren langs het spoor in een poging om het huis van zijn familie in Halle terug te vinden.

Het begon die ochtend vredig. De jonge elektricien in opleiding uit IJmuiden moet die ochtend leidingen aanleggen in nieuwbouwwoningen in de buurt van de fabriek. De trein werd nu eens niet beschoten door Engelse jagers. Ongehinderd arriveert hij bij het bouwproject.

Maar daar verandert alles. Ineens is er luchtalarm, bijna dagelijkse kost in die dagen. Met zijn maat duikt hij de kelder in die onder het huis is gebouwd.

„Maar nu was het echt raak, er kwam een grote aanval op de Leuna Werke. Door het kelderraam zag ik de formaties naar de Leuna Werke vliegen en ze vlogen op grote hoogte, want je zag de witte condensstrepen en opeens zagen we de bommen naar beneden komen. Ik maakte dat ik weg kwam van het raam, dat was net op tijd, want er kwamen dreunen, die met geen pen te beschrijven zijn, zo hard dat de kelder heen en weer schudde. Je wist ook niet waar je het zoeken moest, nog nooit had ik zoiets meegemaakt, ik dacht: dit is het einde!”

Sein veilig

Maar dat is het niet, althans niet voor Dirk, die nu op 89-jarige leeftijd in Heemskerk woont.

„De aanval had zeker wel een half uur geduurd en opeens was het stil, angstig stil, en het sein ’veilig’ werd gegeven. Ik rende de kelder uit naar buiten en wat ik toen zag was echt vreselijk! Overal zag je gebouwen en huizen die helemaal kapot gebombardeerd waren en daartussen zag je schreeuwende mensen en huilende kinderen. De brandweer en ziekenwagens reden af en aan om de gewonden te vervoeren, de doden werden allemaal op één plek verzameld. Vooral op die plaatsen waar die dreunen vandaan kwamen, daar waren ook wat bommen terecht gekomen, daar lagen veel doden en gewonden.”

„Door al die ellende was ik ook mijn maat kwijtgeraakt en daar stond ik dan, helemaal alleen. Ik dacht: weet je wat, ik ga naar het station en met de trein naar Halle en dan naar huis. Maar er was geen station meer, het was één grote puinhoop geworden. Er liep nog wel een stationsmeester rond te dolen en ik ging vragen hoe ik in Halle kon komen. Hij zei: ga maar lopen, want treinen rijden er ook niet meer, de spoorlijn is stuk gebombardeerd. En daar sta je dan, alleen.”

Dode piloten

„Ik ging maar langs de spoorlijn lopen en dan kom ik vanzelf naar Halle, dacht ik. Na een uur te hebben gelopen zag ik een neergeschoten vliegtuig liggen. Ik ging erheen om het van dichtbij te bekijken. Wat ik zag was niet leuk, bij het wrak lagen twee dode piloten. Van schrik ben ik hard weggelopen tot ik bij een klein stationnetje kwam. Ik ben daar in de wachtkamer gaan zitten en je kon er nog een glas bier kopen.”

Het huis waar Dirk Brode en zijn familie woonden in Halle.

Treinen rijden niet meer. „Gelukkig was er een man die ook naar Halle moest en met hem kon ik meelopen, en zo zijn wij op stap gegaan. Om de weg te verkorten zijn we de Leuna Werke over gelopen. Er was zo’n chaos, je kon zo het fabrieksterrein oplopen en overal waren er branden door de brandbommen. En er lagen tijdbommen. We gingen steeds harder lopen om van het terrein af te komen en we zijn er zonder kleerscheuren vanaf gekomen.”

Aan de andere kant van de fabriek krijgen ze een lift in een open vrachtautootje. Die brengt hen naar het station van Halle. Als Dirk na een wandeling door de stad eindelijk thuis arriveert, om elf uur ’s avonds, weet zijn moeder niet hoe ze het heeft van opluchting. „Moeder Brode had inmiddels de zenuwen gekregen van het wachten omdat ik niet op tijd thuis was. Ze had ook gehoord dat er een grote aanval was geweest, zodoende zat ze in grote spanning, net als mijn oma Brode. Ze waren blij dat ik gezond thuis was gekomen.”

Oorlogstuig

Bijna dagelijks zijn er luchtaanvallen op dit industriegebied, waar de nazi’s hun oorlogstuig produceren. Een gebied waar duizenden dwangarbeiders uit heel Europa onbeschermd tegen de geallieerde bombardementen hun werk moeten doen. Onder hen: honderden jonge jongens uit Beverwijk en Velsen-Noord, uit Sliedrecht en uit Groningen, ex-gijzelaars die vanuit Kamp Amersfoort door de nazi’s hierheen zijn gebracht om slavenarbeid te verrichten.

Onder onmenselijke omstandigheden: zware tucht, veel te weinig eten en loodzwaar werk. Dagelijks lopen ze tegen knuppels en ander wapentuig aan van bewakers die niet voor elkaar onderdoen in hun sadistische schrikbewind. Veel gijzelaars overleven het niet. Ze bezwijken door honger, kou, de bommen of slaag van bewakers.

Russische gevangenen

Dirk Brode heeft eenmaal contact met dwangarbeiders. In februari 1945 in een barak ontmoet de veertienjarige jongen honderden Russische gevangenen. Hij mag niet met ze praten van de bewakers.

„Ik moest met een vrouwelijke collega de elektrische installatie van het kamp renoveren. Daar waren Russische dwangarbeiders onder strenge bewaking. Wat ik daar zag, onder erbarmelijke omstandigheden. De mensen waren allemaal in lompen gekleed, zowel de vrouwen als de mannen. Toen ik daar de eerste dag kwam moest ik me bij de commandant melden en ik kreeg een heel verhaal te horen, wat ik wel en niet mocht. Zo mocht je ook niet met de gevangenen praten.”

Maar de jonge IJmuidenaar is eigenwijs.

„Het eten voor de gevangenen was minimaal. De mensen hadden gauw in de gaten dat ik geen echte Duitser was en ze klampten me aan om een praatje te maken, zo goed als het ging met de taal, maar ja met handen en voeten ging het ook. Wat ik van enkele mensen begreep waren ze hooggeschoold, tot dokter aan toe. Omdat ik met de kampbewaking mee mocht eten uit hun eigen keuken, bracht ik wat eten voor de mensen mee naar hun kamer. Dat ging een hele tijd goed, totdat ze me waarschuwden dat ik in de gaten werd gehouden. Ze vonden het maar gek dat ik zo vaak terug kwam om nog een portie eten te halen. Ik ben er gelijk mee gestopt, voor er narigheid van zou komen, want ze waren daar niet zo erg lekker. Maar ik bleef goede vrienden met de gevangenen.”

Schuilkelder

Totdat ook hier een formatie bommenwerpers boven het gebied verschijnt.

„Op een dag was ik aan het werk in het kamp toen er ’s middags weer luchtalarm kwam, dus wilde ik zoals gewoonlijk naar de schuilkelder van het kamp gaan, een kleine ruimte met houten bielzen als dak. Maar dat mocht ik van de kampleiding niet meer. Ik moest naar een grote betonnen schuilkelder buiten het kamp, tussen flats. Dit maar gedaan. Ik bleef bij de ingang staan, meestal vlogen ze over, richting Berlijn. Bij mij stond ook een politieagent. We stonden de lucht in de gaten te houden en opeens zagen we grote formaties vliegtuigen aankomen.”

„Ineens zagen we dat er markeringsstrepen werden getrokken door twee vliegtuigen die voor de formaties uit vlogen. Dat gaat mis, zei de politieagent, gauw naar binnen. We waren net binnen, ik kon nog net de deur vergrendelen, toen de bommen vielen, ook op onze schuilkelder. Het was verschrikkelijk. Al het licht viel uit, er stroomde water naar binnen en ook veel stof. De mensen schreeuwden, het was een chaos. Omdat ik bij de ingang stond, waarvan de deur open gesprongen was door de explosies, kon ik naar buiten kijken, maar er viel niet veel te zien, want de halve ingang was ingestort.”

Tramwielen

Het bombardement is voorbij. Maar de mensen kunnen niet uit de schuilkelder.

„De agent vroeg mij om hulp te halen. Ik heb mij door het puin heen gewurmd om naar buiten te komen en toen ik eenmaal buiten was, keek ik om me heen en zag dat er van de huizen in de straat, waar de schuilkelder lag niet veel meer overeind stonden. Van de tram die voor de schuilkelder was gestopt waren alleen nog de wielen te zien. De rest was verdwenen en de rails stonden omhoog. Ik ben als de donder de stad in gelopen om hulp te zoeken, maar waar moest ik hulp vinden? Overal was het een chaos, huizen stonden in brand en hier en daar lagen dode mensen op straat, en vulling van bedden hing in de bomen.”

Opeens opnieuw problemen. „Toen ik daar liep kwam er weer een golf vliegtuigen aan. Ik ben als de donder een huis binnen gerend en ben in de kelder gekropen, waar nog meer mensen waren. Je hoorde de bommen om je heen vallen. Gelukkig werd het huis niet geraakt, ik heb geluk gehad.”

Razzia-slachtoffers

Dirk Brode zou uiteindelijk weer thuiskomen in IJmuiden. Net als zijn moeder, twee van zijn drie broertjes en uiteindelijk zelfs zijn Duitse vader, die zich pas in 1948 weer bij het gezin mocht voegen. Wie niet thuiskomen: 65 ooit kerngezonde jongens uit Beverwijk en Velsen-Noord, die alle ontberingen in dit gebied niet hebben overleefd.

De Leuna Werke

De kolossale Leuna Werke, in de oorlog een 8 km2 grote chemische fabriek, is van cruciaal belang voor de nazi-oorlogsmachine.

Er wordt van bruinkool synthetische benzine gemaakt. In de 250 gebouwen die de fabriek telde, werkten 35.000 arbeiders, van wie 10.000 gevangenen en dwangarbeiders.

De fabriek werd tegen luchtaanvallen beschermd door 28.000 man FLAK-personeel, die de 600 stuks luchtafweergeschut bemanden. In totaal waren er 62.550 soldaten bezig om de fabriek dagelijks tegen geallieerde bombardementen te beschermen met alle mogelijke middelen, zoals rookpotten, waardoor de fabriek vanuit de lucht nauwelijks zichtbaar was.

Slechts 29 procent van de bommen op heldere dagen raakte zijn doel, bij bewolking slechts vijf procent. De bombardementen hebben zo’n driehonderd arbeiders het leven gekost, maar de RAF raakte in amper een jaar tijd 1280 man kwijt. Bij drie opeenvolgende bombardementen verloor de RAF 119 vliegtuigen, terwijl niet één bom de fabriek raakte.

Wel werden dorpen, steden en weilanden en ook gevangenenbarakken in de omgeving geraakt door bommen. De bombardementen hadden tot gevolg dat de Leuna Werke op 4 april 1945 de productie geheel stopte.

Lees hier alle verhalen over 75 jaar bevrijding

Meer nieuws uit IJmond

Meest gelezen