Premium

Column Joost Prinsen: Wim Jens

Column Joost Prinsen: Wim Jens

Dingen uit het verleden kunnen soms op een confronterende manier opduiken. Ik was een jaar of 18 toen ik de stadsprijs declamatie van de gemeente ’s Hertogenbosch won. Ik droeg ’Thebe’ van Gerrit Achterberg voor. Het gedicht beschrijft de zoektocht van de dichter naar zijn gestorven geliefde. Dit is de laatste strofe:

Maar had geen adem meer genoeg

en ben gevlucht in dit gedicht:

noodtrappen naar het morgenlicht,

vervaald en veel te vroeg.

In de jury van die wedstrijd zat Wim Jens, een leraar Nederlands. Hij was niet veel ouder dan ik en wij raakten al spoedig bevriend. Waarbij aanvankelijk de poëzie, maar later ook cafébezoek ons bond. Ik werd kind aan huis bij hem en zijn vrouw en zoog zijn verhalen over literatuur op, want hij was een geboren leraar.

Toen ik toelatingsexamen deed voor de Toneelschool vergezelde hij me naar Amsterdam. En ik logeerde bij hem toen mijn moeder belde dat ik aangenomen was. Ik zie ons nog door de gang dansen, lachend en schreeuwend van vreugde. We begonnen altijd te lachen als we elkaar zagen en dan keken we verder. Ook in mijn Toneelschooltijd heb ik nog vaak van zijn gastvrijheid mogen profiteren.

Later kwam ik in de tredmolen van overdag repeteren en ’s avonds spelen en we verloren elkaar uit het oog. Maar toen ook hij naar Amsterdam verhuisde, troffen we elkaar weer op ongezette tijden. Vaak in de foyer van een theater. En steeds was er dan de vreugde van het weerzien. Als hij me had zien spelen maar me na afloop in het gedrang gemist had, kreeg ik een kaartje van hem met zijn complimenten. Hij was altijd al attenter dan ik.

Wim overleed een maand geleden. Het verbaasde me niet dat de begrafenis druk bezocht werd. En evenmin dat ik heren op leeftijd aantrof die tientallen jaren geleden les van hem hadden gehad.

Confronterend echter waren de versregels op zijn rouwkaart. Dezelfde regels van Achterberg die ik hierboven citeerde. Alsof hij van gene zijde nog even zijn hoed lichtte: „’s Hertogenbosch 1960, weet je nog? Mocht jij het vergeten zijn, ik niet.”

Misschien vond hij het gewoon passende regels, dat kan natuurlijk ook. Maar ik denk dat hij zich bewust was van de stap zestig jaar terug in de tijd, want hij kende zijn poëzie.

Misschien mag ik van deze zijde hem de regels meegeven die Friso Wiegersma schreef toen zijn geliefde Wim Sonneveld overleden was:

Het lachen dat we samen deden

het is voorbij, het is voorbij

Maar uit een ver voorbij verleden

komt altijd weer omhoog in mij,

als water uit een woestenij,

een lachen, lachen zonder reden,

het lachen dat we samen deden.

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.