Premium

De wielercarrière van Roxane Knetemann kent twee tijdvlakken - voor en na het overlijden van vader Gerrie: ’Niemand zag hoe ik eronder gebukt ging’

De wielercarrière van Roxane Knetemann kent twee tijdvlakken - voor en na het overlijden van vader Gerrie: ’Niemand zag hoe ik eronder gebukt ging’
Het laatste prijsje voor de afzwaaiende profwielrenster Roxane Knetemann: derde in de Wielerronde van Assendelft, het officieuze NK criterium.
© Foto Ronald Goedheer
Assendelft

Voor de laatste keer speldde Roxane Knetemann zaterdag als profrenster haar rugnummer op. Voor het laatst ook joeg ze op een podiumklassering, met succes. Na de derde plaats in de Wielerronde van Assendelft, het officieuze NK criterium, eindigde voor de 32-jarige Zaanse een carrière die in tweeën kan worden gesplitst: het tijdvlak voor en na het overlijden van haar illustere vader Gerrie, de oud-wereldkampioen die onverwacht op 2 november 2004 op 53-jarige leeftijd stierf. Een openhartige monoloog.

,,De dood van m’n vader heeft er destijds ingehakt. Hij was m’n baken, degene die voor rust zorgde. Voor wieleradviezen stond ik nooit open, behalve die van hem. Omdat ik wist: hij doorgrondt me. Ik klampte me aan hem vast, we waren twee handen op één buik. Zijn dood kwam niet alleen onverwacht, maar ook veel te vroeg. Ik was 17, kon nog niet zonder hem. Het voelde zo onrechtvaardig, maakte me radeloos.

Ik raakte verstrikt in m’n emoties. Boosheid en verdriet wisselden elkaar af. Bij het minste of geringste kon ik in woede ontsteken. Dan moest vooral m’n moeder het ontgelden, gooide ik thuis met borden of sneuvelde de afstandsbediening. Onhandelbaar was ik, boordevol agressie. Dat terwijl zij ook met haar ziel onder de arm liep. Nu denk ik: wat gedroeg ik me egoïstisch.

Dat ik om me heen sloeg, had alles te maken met onmacht. Ik voelde me onbegrepen, niemand beschermde me tegen de buitenwereld. Wildvreemde mensen staken me een hart onder de riem, dachten ze, maar ik voelde me slechts opgejaagd wild.

Het ging ze niet om mij, maar om m’n vader. Ik wilde daarom wegkruipen, geen publiek bezit zijn, anoniem door het leven gaan. Soms noemde ik daarom zelfs m’n achternaam niet, omdat ik wist: anders word ik weer met zijn overlijden geconfronteerd. Want iedereen kende m’n vader en wilde iets over hem kwijt. Niemand zag alleen hoe ik eronder gebukt ging.

Zes jaar heeft die innerlijke worsteling geduurd. Ik fietste nog wel in die tijd, maar plichtmatig. Ondertussen zocht ik afleiding, leefde ik niet echt als topsporter, deed ik er alles aan om maar niet thuis te zijn. Want thuis was synoniem aan rouw. Dan vloog het me naar de keel.

Dat het wielrennen me plots gestolen kon worden, had deels te maken met hoe m’n moeder erin stond. Ze wilde koste wat het kost dat ik bleef fietsen. Hoewel het voor haar een houvast was, was dat het niet voor mij. Ik zat in een keurslijf gevangen. Ze pushte mij, zette me onder druk – althans, zo voelde het voor mij. Sodemieter toch op, dacht ik vaak. Het is míjn bestaan. Laat me toch gewoon m’n gang gaan, gun me m’n vrijheid.

Als kind had ik die druk nooit gevoeld, reed ik juist onbevangen. Dat had ook te maken met wat m’n vader altijd benadrukte: het draait om je eigen verwachtingspatroon, niet om dat van anderen. Het maakte me dus niet uit wat anderen van me vonden.

In 2008 kreeg ik een soort van relatie met Wim Stroetinga (de baanwielrenner, red.), m’n huidige vriend. Ik fietste soms met hem mee, als hij ging trainen. Dan zag ik dat hij met een lach begon en eindigde. Dat zette me aan het denken, want bij mij ontbrak de lach.

De omslag begon in 2008 in Peking, tijdens de Olympische Spelen die ik bijwoonde. Marianne Vos, de renster waarmee ik was opgegroeid en in wie ik een voorbeeld zag, won goud op de puntenkoers. Dat wil ik óók, prentte ik mezelf in. Anderhalf jaar later werd ik Nederlands kampioen op dit onderdeel, na een frustrerend jaar vol ziektes. Het was een morele opsteker.

Bij de Merida-ploeg krabbelde ik verder op, keerden gaandeweg het plezier en de passie terug. En in de winter van 2012-2013, ik zat toen al bij de Rabo-Liv-ploeg, hervond ik mezelf, na sessies met een sportpsycholoog. Ik leerde mezelf te accepteren, raakte ervan doordrongen dat ik het puur voor mezelf moest doen.

De zelfstandigheid, waar papa altijd op had gehamerd, heb ik vanaf dat moment bewaakt. Ik voerde m’n eigen regie, het waren míjn keuzes. Die pakten niet altijd even goed uit, maar het heeft me wel gevormd, mentaal sterker gemaakt ook.

Het laatste jaar bij Parkhotel Valkenburg heeft ervoor gezorgd dat ik met een goed gevoel afscheid neem. Na een jaar in Franse dienst, waar ik door eenzaamheid werd verscheurd, en na het Italiaanse avontuur, waarbij ik na een valpartij in Australië een zware hersenschudding opliep, de zeurende hoofdpijn domweg negeerde en daardoor telkens werd teruggefloten, kon ik weer ongedwongen van het koersen genieten.

Natuurlijk zal het wennen zijn, maar ik ben ervan overtuigd dat ik niet in een zwart gat zal vallen. Ik volg de hbo-opleiding pedagogiek, leer daardoor te reflecteren. En de banden met het wielrennen zullen echt niet doorgesneden worden.”

Meer nieuws uit Sport Zaanstreek

Meest gelezen