Premium

’Dat alle Saerdamsche vrouwen aan de drank verslaafd zijn’. Jacob van Lennep wandelde door Zaanstreek en Waterland

1/4

Strompelend van de pijn wandelde de Amsterdamse twintiger Jacob van Lennep in mei 1823 door de Zaanstreek en Waterland.

De deftige jongeman - die later een bekend schrijver zou worden - had het plan opgevat om samen met zijn vriend Dirk van Hogendorp Nederland te voet te doorkruisen, en begon dicht bij huis.

De eerste dag gingen de twee vrienden met de veerdienst naar de overkant van het IJ, waar net de aanleg van het Noordhollands Kanaal was begonnen.

’Woensdag, 28 Mei. Nadat ik met veel moeite mijn ransel met een hemd, twee paar kousen, een das en muts en andere noodwendigheden volgepropt had, ging ik mijn vriend Van Hogendorp, die in Het Rondeel logeerde, afhalen. (..) Om acht uur stapten wij in de Buiksloter waar wij enige Engelsen aantroffen, die zich naar Broek begaven: met aandacht beschouwden wij het begin van het Nieuwe Kanaal, dat - als de uitvoering mogelijk is - zo belangrijk voor Amsterdam en geheel Noord-Holland wezen moet.’

Oude knecht

In bijna twee uur wandelden ze naar Zaandam, of zoals men in die tijd zei: Saerdam. ’Na 7/4 uur gaans verfristen wij ons te Saerdam in de herberg De Otter, en gingen de hut van Czaar Peter bezichtigen. De hut bezichtigd hebbende, begaven wij ons naar de zogenaamde Bullekerk, die ons wegens haar net- en fraaiheid zeer beviel.’

’In de herberg gekeerd, maakten wij een praatje met de oude knecht die ons veel belangrijks over het dorp, thans de stad Saerdam verhaalde. Indien ik deed als de reiziger die alle vrouwen van Bourges korzelig en roodharig noemde, omdat zijn hospita die beide begaafdheden vereende, zou ik niet aarzelen te beweren dat alle Saerdamsche vrouwen aan de drank verslaafd zijn, omdat ik de kasteleine jenever met suiker zag drinken.’

Ze aten een ’boterham met vlees’ en liep verder over de Westzijde van de Zaan. ’Nadat wij een uur over straatsteentjes langs een smalle gracht waren voortgewandeld, en de klinkers mijn voeten, die ik tot mijn ongeluk in nieuwe schoenen gestoken had, zeer begonnen te kwellen, verwonderde het ons nog geen eind aan Saerdam te zien. Daarom vroegen wij waar Wormerveer lag; het antwoord was dat wij drie stappen voortgaande, er zijn zouden. Al de bovengenoemde plaatsen liggen zonder grensscheiding aan elkander.’ Ze liepen flink door, en stopten pas in Purmerend, waar ze hun intrek namen in de Vergulde Roskam aan de Wagenbeurs. ’Om vijf uur eindelijk kwamen wij aan ’t kanaal en traden over de heerlijke nieuwe brug de stad Purmerend binnen, waar wij in de herberg De Roskam onze intrek namen. Uit de boven-voorkamer hadden wij een vermakelijk gezicht over de vaart en weg naar Hoorn, en op de bijgelegen poort.’

’Nu kwam de meid dekken. Daar wij aan de grootste tafel begeerden te zitten en zij haar tafelkleed te klein vond, ging zij een ander halen, waarop zij ons kalfskarbonaden, sla en aardappelen voorzette, en o schrik! onrijpe kruisbessenvla.’ Daar waagden de verwende jongelingen zich niet aan.

’Nu gingen wij de stad doorkruisen. Toen ik bij een schoenmaker langsging voor hoge boerenschoenen, verwees hij mij naar een tweede en deze bracht mij bij een derde, waar ik een paar vond en kocht, dat mij gemakkelijk zat. Hoe weinig ambachtslieden in Amsterdam of elders in grotere plaatsen zouden als deze brave lieden een vreemdeling bij een hunner konfraters zenden? De stad bezichtigd hebbende, gingen wij de wallen rond, zagen wij de ontzettend brede, en met essen en iepen beplante, heerlijke kleiwegen naar Hoorn en Alkmaar.’

Vochtige lakens

Nu was de dag bijna over. ’Om negen uur dronken wij thee, praatten met de meid en begaven ons om ½ 11 naar bed: ik sliep goed. Mijn reisgenoot minder, wegens de vochtige lakens.’

Maar ze waren blijkbaar onvermoeibaar. ’Donderdag, 29 Mei. Om 5 uur opgestaan zijnde, trokken wij een uur later de poort uit naar Monnikendam en wandelden op een harde met essenbomen beplante kleiweg tot aan een sloot, waar de wegen van Edam en Monnikendam zich verenen. Wij hielden dus de rechterhand, waar verscheidene hoeven stonden, zeer net en met mooie landerijen: zo kwamen wij aan een boom op een viersprong, waar wij links af een rechte kleiweg volgden, over een dijk en brug staken, en langs een kronkelend binnendijkje Monnikendam naderden. Er stond weinig vee op het land: sommigen menen dat het slechts zo schijnt omdat men een koe niet van ver zien kan: doch dan zou dit ook in Zuid-Holland plaats moeten hebben: anderen, en met meer grond geven tot reden dat de boeren in deze tijd zo slecht de tering naar de nering gezet hebben, dat de gestegen prijs der landerijen hen noodzaakt minder vee te kopen.’

Blijken van verval

’Monnikendam draagt meer nog dan Purmerend blijken van verval. Wij traden de Doelen binnen, welke herberg een goed uiterlijk voorkomen heeft. Na ons geschoren en verfrist te hebben, doorkruisten wij de stad.’

Daarna wandelden ze heen en weer naar Broek in Waterland. Dat stond nog steeds bekend om zijn properheid, al was ’de oude net- en schuwheid der ingezetenen reeds zeer verminderd’. ’Wij bewonderden de goeden smaak der huizen van de heren Ditmarsch en Bakker, vooral wat de voorgevels betreft. Bij de eerste zagen wij de gang bedekt: 1 met een keurlijke ganglooper; 2 met een linnen dekkleed; 3 met een fraaie vloermat: 4 met eene zeil; 5 met een lap om de voeten te vegen.’ Hij noteerde nog een bijzonderheid over de Broeker schoonheidsmanie: ’Langs de straten van Broek mag men ’s avonds geen pijp roken, en overdag alleen met een dopje erop; ook moet men van ’t paard stappen en het aan de toom leiden.’

Terug in Monnikendam huurden ze een ’jachtje’ en werden naar Marken gebracht. ’De schippers, door de inwoners naar ons ondervraagd, antwoordden dat ik de koning was, waarop zich mannen en vrouwen om ons heen drongen, vrij bijzonder op hun wijs gekleed, doch alle gezonde, sterke, welgevormde lieden. De vrouwen dragen er negen verschillende kledingstukken: 1 hun kindergewaad; 2 dat der aankomende maagden; 3 dat der huwbare meisjes die een vrijer verlangen - als ’t ware een koopbordje; 4 het kleed der verlovingsdagen; 5 het bruidspak dat sinds 200 jaren door moeder en grootmoeders op die dag gedragen is; 6 het trouwgewaad; 7 het kleed na de trouwdag; 8 dat der getrouwde vrouwen; 9 het doodsgewaad.’

Ganzen

’Men gaat van het ene dorp naar het andere langs smalle dijkjes waar men als de ganzen loopt, en die als brij wegzakken onder de voeten. - Bij ’t terugkeren naar het schip hoorde ik de lieden tegen elkander zeggen: ’Kaik, dat is nou Zen Hooghait’.’

Om 7 uur ’s avonds waren ze weer terug in Monnikendam. ’Half razend van de pijn ging ik met Van Hogendorp de burgemeester Arbman bezoeken, die ons zeer vriendelijk onthaalde, wijn schonk en veel vertelde. Om 8 uur verlieten wij hem: ik poogde wat te eten, doch kon niet. Daarom doorstak ik de blaren aan mijne voeten met een stopnaald en wollen draad, en ging al kermend bedwaarts. Van Hogendorp trof een nachtverblijf dat benauwd en ellendig klein was: om drie uur joegen hem de vlooien het bed uit, zodat al met al de herberg niet te breed uitviel.’

’Vrijdag, 30 Mei. Om 5 uur stond ik op, niet zonder pijn, en trok met Van Hogendorp een uur later langs een binnenkleiweg naar Edam, waar wij om ½ 8 kwamen en de stad rondliepen. Langs een zonnige, vervelende weg volgden wij de vaart tot aan het dorp Oosthuizen, dat een fraaie ligging heeft, en zeer bloeiend is. Wij bewonderden er het landgoed van de ambachtsheer, de graftombe van den Heer De Vicq, en het overheerlijke uitzicht over de gehele Beemster.’

En vandaar liepen ze richting Hoorn, op weg naar de rest van het land.

Het hele dagboek staat op: http://vanlennep.nl/wp-content/

uploads/DBJacobvanLennep.pdf. Ook is het, in modern Nederlands vertaald, uitgegeven onder de titel De zomer van 1823.

Meer nieuws uit Waterland

Meest gelezen