Koeien waren in het West-Friesland van de Bronstijd lid van de familie

Koeien waren in het West-Friesland van de Bronstijd lid van de familie
West-Friesland in de Bronstijd (2000-800 v. Chr.). Het gebied was dichtbevolkt. Op de bodem van klei en veen was het goed boeren, en de bewoners leefden ook van vis en watervogels.
© Afbeelding Nathalie Brusgaard
Leiden

West-Friesland was in de Bronstijd (van 2000 tot 800 v. Chr.) een dichtbevolkt boerenland. De bodem tussen Enkhuizen en Bergen was vruchtbaar. Een rivier die wij nu nog kenden als de Overijsselse Vecht, mondde bij Bergen uit in de Noordzee en er lagen twee meren waar nu het IJsselmeer is. De bronstijdboeren deden aan akkerbouw, hielden koeien, schapen en geiten en vingen vis en (water)vogels.

Met die koeien, schapen en geiten is iets bijzonders aan de hand, ontdekte de Leidse archeoloog Nathalie Brusgaard. Sommige dieren moeten over grotere afstanden zijn vervoerd. Ze schreef er, met twee andere auteurs, een artikel over voor het Journal of Archaeological Science.

Brusgaard verzamelde 58 tanden van vooral koeien. Aan de hand van de isotopen in het element strontium kon ze vaststellen waar ze waren geboren. Sporen van strontium kregen de dieren mee met hun voedsel, en dat kwam dus ook terecht in hun tanden in de periode dat die werden aangelegd.

Bij de meeste dieren kwam de strontium-’vingerafdruk’ overeen met kleiachtige veengronden van West-Friesland. Maar in elk geval drie dieren kwamen van zeker 50 kilometer verderop. Brusgaard oppert Wieringen als de dichtstbij gelegen geboortegrond, maar Texel, Friesland, Drenthe, Twente en zelfs Limburg zijn ook mogelijk.

De Bronstijd is de eerste tijd waarvan we bewijzen hebben van handel over lange afstand. Handelaren, aanvankelijk als collectief, later ook als machtige individuen, ruilden brons tegen andere kostbare materialen zoals amber, glas en soms ook tegen wol en ossenhuiden. Brusgaard denkt dat ook levende dieren langs deze weg over grotere afstand verhandeld werden.

Op de vraag waarom ze die West-Friese boeren meededen aan die handel, zal mogelijk nooit een antwoord komen, maar archeologen proberen door te speculeren zo dicht mogelijk bij de waarheid te komen. Praktische redenen, zoals het voorkomen van inteelt, of het hebben van ruilobjecten in handelsbetrekkingen, zijn mogelijk.

Brusgaard wijst er echter op dat mensen en dieren samen in ’woonstalboerderijen’ leefden. Ze oppert de mogelijkheid dat koeien, en in mindere mate schapen en geiten, soms gelijkgesteld konden worden aan mensen. ,,Misschien waren ze wel gewoon lid van de familie.’’

Die gedachte heeft ze ontleend aan andere samenlevingen waar mensen en dieren nauw samenleven. De Masai en de Turkana in Oost-Afrika leven bijvoorbeeld nauw samen met hun dieren. Families die door het huwelijk een dochter ’verliezen’, krijgen daar een bruidskoe voor terug. Zo’n ruil heeft een economische betekenis, maar ook een sociale, betoogt Brusgaard. ,,De koe vervangt de dochter als het ware in het gezin.’’

Misschien hebben koeien in de Bronstijd in West-Friesland een rol gespeeld bij bruiloften van groepen mensen die met elkaar handelden, al waarschuwt Brusgaard ervoor om automatisch uit te gaan van de gedachte ’een koe voor een vrouw’. ,,Dat kan ook een man zijn geweest.’’

Voor de gedachte dat koeien en mensen althans soms gelijkwaardig aan elkaar waren, pleit ook de vondst van een grafheuvel in Bovenkarspel waarin geen lijk is gevonden, maar wel een pot met daarin een koeienrib. Brusgaard denkt dat een koe in het begrafenisritueel kon dienen als een vervanging voor iemand die vermist was geraakt, bijvoorbeeld door verdrinking.

Meer nieuws uit West-Friesland

Keuze van de redactie

Lees hier de digitale editie



Volg ons