Premium

’De tsaar zat te schijten’. Een 19e-eeuwse Amsterdammer over de Zaanstreek

1/3

Wat was de Zaanstreek prettig ouderwets, vond de 19e-eeuwse Amsterdamse zakenman Willem de Clercq. Af en toe ging hij er vanuit de hoofdstad heen en dan schreef hij erover in in zijn dagboek.

Willem de Clercq (1795-1844) kwam uit een gegoede doopsgezinde familie in Amsterdam, die handelde in graan. Zelf ging hij ook de handel in en bracht het tot directeur van de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Maar hij is ook bekend geworden als een heel vroom man, een dichter en een trouw dagboekschrijver. Vanaf zijn vijftiende hield hij zijn leven lang nauwkeurig bij hoe hij de dag had beleefd. Ook over de Zaanstreek had hij bijzondere verhalen.

Om te beginnen noteerde hij in juli 1814 een anekdote over het bezoek van de Russische tsaar Alexander 1 aan Zaandam. De vorst werd feestelijk ontvangen in het stadje waar zijn beroemde voorouder Peter de Grote had gelogeerd, en hij werd daarbij begeleid door prins Willem, de latere koning Willem I.

Kosten noch moeite werden gespaard en het bezoek eindigde met een diner, met als dessert het Czaar Peterhuisje in suikerwerk. Echter, toen de tsaar na het diner dringend naar de wc moest, werd het opeens heel ingewikkeld. ‘In Zaandam werd Zijne Excellentie na het avondeten overvallen door een natuurlijke behoefte’, noteert Willem de Clercq in zijn dagboek. ’Er was wel zo’n gelegenheid, maar de sleutel was zoek. De tsaar ging daarom naar buiten en ging bij een bakker naar binnen. Maar men begreep niet wat hij wilde. De prins die hem was gevolgd, legde in het Nederlands uit wat er aan de hand was. De tsaar heeft zitten schijten terwijl de prins de wacht hield. Daarna heeft hij de meid een napoleon gegeven.’ Een napoleon was een gouden munt, een enorme fooi dus.

De keren dat Willem de Clercq zelf een dagje naar de Zaan ging, vond hij dat reuze prettig. In de zomer van 1820, hij was 25 jaar oud, ging hij mee met een familie-uitje. Via ’het trieste stadje Munnikendam en het mooie stadje Purmerend’ reden ze naar hun reisdoel. ’Eenmaal aangekomen in Koog, werden we geweldig ontvangen door Henry (een zwager, red.). Een oude tante van hem liet ons haar huis zien, iemand van de goede ouderwetse Hollandse soort, en toen we met haar spraken was het of we vijftig jaar terug in de tijd waren. Ze liet ons haar enorme gewaden zien, die ‘vachten’ heetten en een volledig antieken huis. Tenslotte werden we allemaal versterkt met een goed diner in de Otter.’ De Otter was een bekende herberg op de Dam in Zaandam. En ’vachten’ waren de gigantische bovenrokken van de Zaanse klederdracht die rond 1800 in de mode waren.

Drie jaar later was de Amsterdammer weer in Zaandam, samen met een paar kennissen, om een lezing te geven voor de plaatselijke afdeling van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. ‘Wij trokken naar het Locaal van ’t Nut, een overdekte kolfbaan van een ontzettend grote laagte. Dezelve was geheel opgevuld. De dames ten getale van 115 zaten zeer gepakt op elkander. Als redenaar moest men dringen en stoelen laten opnemen om tot den katheder te kunnen doordringen. De leden ten getale van twee à driehonderd zaten aan lange tafels en gebruikten hunne halve fles en na de verhandeling pijpen. Ontzettende hitte, de kaarsen smelten bijna.’ Wat hem ook opviel: ’Alle dames half nieuw, half oud-modisch gekleed. Lieve gezichtjes onder de kapertjes.’

De volgende dag maakte hij met zijn vrienden een tochtje door de streek. ’Bijzonderheden over de Zaanlandse dorpen: Koog, Zaandijk en Wormerveer altoos in oppositie met Zaandam. En Zaandijk vooral zeer rijk, meest door papierfabrieken. Weinig renteniers aan de Zaan en geringe achting voor hen.’

Vet weiland

Op de terugreis naar Amsterdam kwam het gezelschap door Waterland: ‘De togt naar Purmerend ging door de Beemster, schoon & vet land. Hier ziet men ten minste boeren. Het gezigt bij de Beemster kerk is regt lief. De grond schijnt zeer vet weiland. De intrede in Purmerend was niet onaardig. Te tien uur kwamen wij aan het Tolhuis & keerden terug bij de allerheerlijkste maneschijn.’

Een paar keer bezocht hij in Zaandam goede kennissen, de gastvrije familie Zwaardemaker. In de zomer van 1824 schreef hij bijvoorbeeld: ’Te Zaandam aangekomen gingen wij nu bij Hein Zwaardemaker waar wij allergulst ontvangen & in een opkamertje geleid wierden, waar ieder den pijp opstak & voor de vrouwen koffij geschonken wierd, terwijl er tevens zeer weke broodjes rondgedeeld wierden. Wij vonden er den ouden heer Zwaardemaker, een schilder baas, een man die de rondheid & bedaardheid van onze echte burgerlieden heeft & zijne vrouw die allerknapst is.’

Het was er uitstekend van eten en drinken. ’Naauw was de koffij verdwenen of er verscheen Maderawijn met suiker & een blad vol kelkjes. Voorts Krakelingen etc. Deze manier van leven beviel Gerrit (de toen 16-jarige zoon van Willem de Clercq, red.) uitmuntend.’

Nu gingen ze een wandelingetje door Zaandam maken. ’Wij kuyerden zoo de houte huizen langs, zagen eenige uithangborden, een Leesbibliotheek & Macassar Oil in Zaandam verkocht & wierden eindelijk door den regen naar huis gedreeven. Wij zagen nog een nieuwlings opgerichte synagoge.’

Terug bij de Zwaardemakers werd de gezelligheid voortgezet. ’We wierden weldra aan tafel gewacht waar de gewone profuse (overvloed, red.) der provintien te vinden was. Een groot stuk ossenvleesch geflanqueerd met twaalf schotels groente was genoegzaam om alle hongerigen te spijzen, terwijl men ook gelegenheid had zich te laven door beurtelings de gezondheid van de verschillende leden der famille te drinken.’

’Ik was regt in mijn schik in het midden zoo van deze oude patriarchale zeden waar ieder het genoegen hem door God gezonden geniet, waar zoo de zucht om uittemunten, de Konst om aardigheden & piquanteries te zeggen nog in ’t geheel niet bestond, maar de spijzen nog toebereid waren gelijk zij dit voor een paar honderd jaar waren. Dat gevoel van rust van eenvoudigheid en bedaardheid is zoo schoon.’

’Toen moest er weder thee gedronken worden & na deze gedurig aanhoudende genietingen, gingen wij in de boeier & kwamen vlak voor de wind, in niet meer dan een grote drie quartiers over.’ Het Amsterdamse gezelschap zeilde blijkbaar over het IJ naar huis.

Daarmee was Willem de Clercq nog steeds niet uitverteld over zijn bezoek: ’Wij spraken nog over Zaandamsche gewoontens’, noteerde hij. ’ Zwaardemaker verhaalde mij dat eene vrouw van 80 Jaren verhaalde dat zij hare kinderen altoos tot drie jaar toe gezoogd had, & dat zulks toen zeer gebruikelijk was.’ Nog iets Zaans: ’De overgeschoten klieken van het middagmaal worden hier lesjes genoemd & op een een dag, lesjesdag genaamd, alle geconsumeerd.’ En tenslotte noteerde hij nog een anekdote over Zaanse gulheid en snoeplust: ’De Dominee verhaalde dat zijne parochianen niet alleen alle dagen aan de kraamvrouw soep zonden, maar dat tevens het aantal van cadeaux van Tulleband, Chocolaad, Krakelingen Soezen etc zoo groot was, dat hij zelfs met behulp van de baker en de meid er zich niet door konde redden.’ De Clercq besloot zijn dagboeknotitie: ’Genoeglijk liep onze reis naar het Noorden dies af. Moge God zijn zegening aan dezen goede menschen genadig doen voortduren.’

Dertien jaar later, in 1837, was hij weer op bezoek bij de Zwaardemakers. Maar dat was niet zo’n supergelukkig uitje. Om te beginnen was het vreselijk weer. ’We hadden allerzwaarste stortregens en werden, ofschoon met parapluien gewapend, door en door nat.’ Toch zagen ze de belangrijkste bezienswaardigheden zoals het Czaar Peterhuisje. Maar wat hem veel meer opviel, was het volgende: ’Veel is er toch in die dertien jaren veranderd. Alles wordt Amsterdamsch. Alle provinciale onderscheidingen vallen weg. Overal zag men nu boekwinkels, overal winkels met manufacturen en zelfs een paleis a la Sinkel met kolommen.’ De Amsterdammer vond het maar niks dat Zaandam zo modern werd. ’Alle kracht van eenvoudigheid, van zedelijkheid uit de mensch verdwijnt voor den geest des tijds’.

Tot overmaat van ramp eindigde de dag met een verschrikkelijk reis terug. ’Tegen zeven uur kwamen wij aan de stoomboot en namen afscheid van onze vrienden. Maar weldra bemerkten wij dat de machine wel werkte doch de boot maar heen en weder ging en de kop niet los wilde uit de modder. Er was zoo weinig water dat men niet voort kon komen. Na een half uur tobben werden de planken weder gelegd, en wij waren en bleven te Zaandam.’

Na een slopende rit in een koets en een nog onaangenamer tocht in een door de storm voortgestuwd open zeilscheepje kwamen ze ’s avonds laat uitgeput weer thuis. Veilig terug uit de provincie!

Het dagboek van Willem de Clercq is te vinden op: http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/declercq

Meer nieuws uit Zaanstreek

Meest gelezen