Premium

Mijn oude vakantiefoto’s: ’Hij dook zo de Rijn in, verbluft keek de man hem na’

Mijn oude vakantiefoto’s: ’Hij dook zo de Rijn in, verbluft keek de man hem na’
Zwemmen in ’t Rietveld, augustus 1940. Bep draagt een badmuts.

Bep Last-van der Bijl: „Nee, we zijn nooit echt met vakantie geweest. In de jaren dertig zat dat er niet in.”

„Maar een keer zijn we er toch op uit geweest. We, dat waren vader, moeder en vier kinderen. In 1933 waren de taxi’s extreem goedkoop, omdat er een taxioorlog gaande was. Vader huurde een taxi voor een dag om samen een dagje naar het strand te gaan. Een half uur rijden vanaf Zaandam. De auto kwam voorrijden en we stapten in, goed kijkend of iedereen ons wel zag: ja, ja, wij gaan met vakantie hoor.’’

,,Wat vloog alles vlug aan ons voorbij. Aan het strand huurde vader een tentje, daar kon de baby in liggen. De jongens trokken vlug hun zwarte tricot badpakken aan, met pijpjes en een knoopsluiting op de schouders. Samen met vader doken ze de zee in. Ik bleef bij moeder om op de tent met inhoud te passen. Ik vond het overweldigend, die grote zandbak en een oneindige zee. Toen ik ’drukken’ moest, maakte moeder een kuiltje in het zand waar ik boven mocht gaan zitten. Daarna werd het dichtgegooid.’’

,,We aten brood met banaan en zand en dronken er karnemelk bij. ’s Middags kregen we een kogelflesje grenadine. De jongens waren haast niet uit het water te krijgen, maar vader ging in de tent een dutje doen. Ik mocht toen even met moeder naar zee, maar vond het wel wat eng. Ik weet het nog goed. Alleen van de terugreis herinner ik me niets meer.’’ Ze was in de auto in slaap gevallen. ,,Nooit ben ik die dag vergeten.’’

Kwatta

,,Al gingen we dus niet met vakantie, ik mocht wel logeren. Vader en moeder kwamen allebei uit Alphen aan den Rijn. Ik ging met vader op de fiets erheen. Eerst met de pont over het Noordzeekanaal en vanuit Amsterdam steeds maar de Amstel volgen. Later de Drecht en de Gouwe, tot we in Oude Rijn uitkwamen. Een mooie tocht. Onderweg mocht ik bij een winkeltje vijf Kwatta-repen kopen. Vijf voor een kwartje.’’

De vader van vader was 77 jaar oud en aannemer. Zijn zaak lag aan de Rijn, net als zijn woning. Hij had een springplank gemaakt en daar werd druk gebruik van gemaakt, door de hele familie. Ik had er heel wat ooms en tantes en veel neven en nichten. Praktisch iedereen kon zwemmen. Grootvader zat aan de kant het genoeglijk aan te kijken, lurkend aan zijn pijpje. Een oom en tante hadden zelfs dertien kinderen en overal mocht ik wel een dagje komen of een nachtje logeren. Terug gingen we ook op de fiets. Ik herinner mij namen van de dorpjes, zoals Bilderdam, Papenveer, De Hoef, De Kwakel en Vrouwenakker.’’

Tante

,,In 1940 ging ik met een tante, Riek Kempen, naar Alphen en toen logeerden we bij de ouders van moeder. Die tante, een zus van mijn moeder, was van 1909, dus 31. Best jong. Ik speelde daar met nichten en neven van moeders familie en ging onder andere naar ’t Rietveld. Dat was een watergebied, waar je alleen met een boot kon komen en middenin was een speeltuin. Opa noemde oma steeds Betje. Naar haar ben ik vernoemd. Tante kocht in een ouderwets winkeltje nog een lap stof voor zichzelf om een jurk van te naaien. Zelf ging ik met een neefje, ook tien, met een pontje over de Rijn. Halverwege moest hij twee cent betalen. ’Oh’, zei hij, ’ik heb maar één cent. Dan ga ik verder wel zwemmen’. En hij dook zo de Rijn in. Verbluft keek de man hem na.”

„Opa en oma huurden voor een dag een autoped op luchtbanden voor me. Daar heb ik echt de hele dag op gesjeesd. Ja, ik ben echt wel aan mijn trekken gekomen. Heel jammer dat mijn zusje niet mee kon, maar ze had altijd heimwee, ze kon geen nacht van huis. Thuisgekomen vertelde ik dan alles uitvoerig aan haar, en daar genoot ze ook van.”

„We waren thuis met z’n vijven: drie jongens en twee meisjes.” Aanvankelijk woonde het gezin in Alphen. „Mijn vader kreeg werk bij Verkade. Hij was smid.”

„Ik moest na de oorlog naar de huishoudschool, maar was nog net te jong. Daarom ging ik een jaar naar de mulo. Ik had zo’n goed rapport, dat ik de mulo mocht afmaken. Ik wilde verpleegster worden. Maar dat betaalde te weinig vonden mijn ouders. Een verpleegster kreeg 35 gulden, kantoorwerk betaalde 55 gulden. Ik was doodongelukkig op kantoor. Mijn moeder hoorde dat er op een boerderij van een kennis hulp nodig was. Dat ben ik toen gaan doen. Koeien melken, kaas maken… Ik vond het geweldig. Hard werken, maar dat gaf niet. Ik kreeg tien gulden in de week met kost en inwoning en iedere maand kreeg je drie vrije dagen.”

Koos Reitsma

Meer nieuws uit Waterland

Meest gelezen