Premium

Rijksmuseum Amsterdam borg onvervangbare kunstwerken voor de oorlog op in Noordkop

Rijksmuseum Amsterdam borg onvervangbare kunstwerken voor de oorlog op in Noordkop
In de kerk van Nieuwe Niedorp werden kunstwerken uit het Rijksmuseum in Amsterdam opgeslagen.
© Foto Collectie Rijksmuseum Amsterdam

Vlak voor de Tweede Wereldoorlog zocht ’Het straatje’ van Vermeer een heenkomen in Schagerbrug, raakte ’Het Joodse bruidje’ van Rembrandt van Rijn verzeild in Wieringerwerf en ’De vrolijke drinker’ van Frans Hals dook onder in Lutjewinkel. Het Rijksmuseum in Amsterdam zorgde ervoor dat zijn onvervangbare kunstwerken een veilige – tijdelijke - plek kregen in de Noordkop.

Op foto’s uit de collectie van het Rijksmuseum is te zien hoe de schilderijen zijn opgeslagen in kerken en gymnastieklokalen. Vaak zonder lijst en opgerold, want zo waren de schilderijen beter hanteerbaar tijdens het vervoer. Lakens moesten de kunstschatten beschermen tegen het stof. Tegen de muur een brits, bedoeld voor een beveiliger van het Rijksmuseum die zo ’s nachts een oogje in het zeil kon houden.

„Natuurlijk moeten de dorpsbewoners ervan af hebben geweten dat al die werken in de buurt waren opgeslagen”, aldus Gijs van der Ham, senior conservator afdeling geschiedenis Rijksmuseum. „Maar er werd vaak niet openlijk over gesproken.”

In zijn boek over tweehonderd jaar Rijksmuseum beschrijft hij hoe in augustus 1939 het personeel, zo’n honderd man, druk in de weer was om alle zalen en grote delen van de depots leeg te halen. Er was haast bij, want het gebouw in Amsterdam was alleen al door zijn glazen daken niet tegen oorlogsgeweld bestand. Tweeduizend schilderijen gingen van de muren en dertigduizend voorwerpen moesten uit vitrines en van hun sokkels. Zo’n 300.000 prenten en tekeningen kwamen uit lades en kasten.

’Taxiritten’

Er waren te weinig bomvrije schuilkelders om alle kunstschatten een veilig onderkomen te bieden. Dus de kunstwerken gingen op transport. Diverse Noord-Hollandse dorpen relatief vlakbij Amsterdam kwamen in eerste instantie daarvoor in aanmerking. De Rijp stelde zijn weeshuis en kerk beschikbaar, Oterleek een schoollokaal, de dorpen Stompetoren, Hoogwoud, Westwoud en Binnenwijzend hun kerken. Omdat deze plaatsen niet allemaal geschikt waren, volgde vaak een reis naar een meer noordelijke bestemming. In twee jaar tijd werden er negentig ’taxiritten’ geturfd.

Van der Ham stelt in zijn boek: ’De kunstwerken en historische voorwerpen kwamen terecht in de gymnastieklokalen van de scholen van Barsingerhorn, Lutjewinkel, Schagerbrug, Wieringerwerf en Winkel of in kasteel Radboud in Medemblik. Hier werden de belangrijkste bezittingen van het prentenkabinet en de schuttersstukken, waaronder ’De Nachtwacht’ opgeborgen.’

Tegen 1 november 1939 was het meest omvangrijke en kostbare transport van kunstwerken in Nederland beëindigd. Toenmalig conservator H.P. Baard van de in bunkers opgeslagen kunst schreef in zijn boek ’Kunst in schuilkelders’: ’De schilderijen bleven voor het grootste deel in hun lijsten, waardoor aan de doeken en paneelen de beste bescherming werd geboden. Speciale maatregelen werden genomen voor de schuttersstukken op doek, die van hun kaders werden ontdaan, ingekrat en door betengeling, moltondekens en een latwerk tegen beschadiging werden gevrijwaard.’

De gebouwen waren niet de veilige plek die het Rijksmuseum had gewenst. Terwijl de bouw van twee rijksbunkers werd voortgezet was het een paar keer kantje boord. Zo raakte op de derde oorlogsdag een vlakbij kasteel Radboud afgemeerde Nederlandse mijnenveger met een Duits vliegtuig in een vuurgevecht verwikkeld. De opgeslagen kunstwerken werden daarop in de kelders opgeborgen.

Op 27 juni 1940 kwamen vijf bommen neer op Wieringerwerf op ongeveer tweehonderd meter van het depot. Baard: ’Als men weet dat onder meer Rembrandts Bruidspaar, zijn Verloochening van Petrus en het grootste gedeelte van het Rijksprentenkabinet in dit depot waren ondergebracht, zal men zich kunnen voorstellen hoezeer ons de schrik om het hart sloeg. Er werd dan ook besloten het allerbelangrijkste aanstonds over te brengen naar Medemblik, om vervolgens over te gaan tot algeheele liquidatie van dit depot, te meer daar de Wieringermeer van 3de tot 2de of 1ste gevarenklasse luchtbescherming verklaard zou worden.’ Ter vervanging van het depot viel de keus op de doopsgezinde kerk te Nieuwe Niedorp, die begin augustus in gebruik werd genomen.

In de zomer van 1940, waren de bunkers in Heemskerk en Castricum klaar. Waarna dus de kunst vanuit de Noordkop naar de duinen werden verplaatst. Twee jaar later zou een groot deel van de collectie in een depot in de Sint Pietersberg en in de zogenoemde kunstbunker in Paasloo worden opgeslagen. Dat laatste gebouw was rond gebouwd zodat kogels erop zouden afketsen.

Van der Ham: „Kort na de bevrijding hield het Rijksmuseum al een paar grote tentoonstellingen met kunstwerken die na jaren uit de depots konden worden gehaald. De collectie kwam betrekkelijk ongeschonden uit de strijd. De gebouwen waren lang onverwarmd gebleven en de zalen hadden vaak water- en vochtschade. Het duurde nog een paar jaar voordat het museum weer helemaal op orde was.”

Meer nieuws uit Schagen e.o.

Meest gelezen