Vijf jaar was Annemarie: ’Heel langzaam zie ik weer iets van leven komen in dat lichaam, dat ten dode was opgeschreven’

Annemarie van Goch als zesjarig meisje aan boord van de Indrapoera, waarmee zij met haar moeder naar Nederland voer in 1946.
© Familiefoto
Hilversum

Annemarie van Goch uit Hilversum schreef onderstaand opstel midden jaren vijftig van de vorige eeuw in de derde klas van de hbs. Ze was toen vijftien en beschreef de herinneringen aan kamp Lampersari bij Semarang op Java, waar ze met haar moeder was toen ze vijf jaar was. In het kader van het project ’Getuigen van de oorlog’ zond zij haar opstel in. Lees alle verhalen van ’Getuigen van de oorlog’ hier.

’t Is drie uur ’s ochtends. We kruipen onder de klamboe uit en nu is het opgelet, niemand mag ons zien. Nee, de wacht is net naar links gelopen en is met haar rug naar ons toe. Snel springen we over de weg om daar plat op onze buik op de droge grond verder te gaan. We kijken of de wacht nog doorloopt of nu al terugkomt. Ja, ze loopt door. Op onze buik kruipen we voort, zo snel mogelijk, geen woord mag gesproken worden, onderdruk kreten van pijn, want hoeveel scherpe dingen liggen daar al niet, waar we overheen schuren met ons lichaam. Ik heb slechts een broekje aan. Bijna zijn we er, nog even volhouden. ’t Lijkt of ik een wedstrijdje speel met Moeder, wie het eerst in de sloot zal zijn, want daar eerst zullen we veilig zijn.

Ja, we zijn er. Even de doornen, glasscherven en wat dies meer zij eruit halen en met een nat gemaakte vinger met wat spuug schoon maken. Maar na een minuut, als ik net pas goed de pijn ga voelen, moet ik verder door een wenk van Moeder. Hier in de droge sloot kunnen we gewoon gebogen lopen, maar het moet wel snel, steeds sneller, tot ik bijna niet meer kan, maar ik mag het nooit opgeven. Ik moet doorgaan tot ik er bij neerval en dat is dan ook al een paar keer gebeurd. Daarvoor heeft Moeder een klein kruikje meegenomen en laat mij drinken en ik kom weer bij en ren weer door. Het moet, het is ver en de tijd gaat snel en we moeten er zijn geweest voordat de Jappen er komen.

Daar is het, vlak bij het prikkeldraad, dat de afsluiting vormt van onze wereld, het kamp. Hier is in de sloot water en daardoor is hier leven: slakken en kikkers. Ik moet uitkijken of er Jappen komen en Moeder vangt wat van die beesten. Zij stopt die in de blikken trommel die we er altijd voor meenemen. Er zijn er niet veel meer. We mogen niet meer pakken, want over een poosje zal ook hier niets meer te vinden zijn. Waar moeten we dan heen om dat nu bijna dierlijke verlangen naar eten een beetje te bevredigen? Nee, we nemen er niet meer mee.

Nu weer dat eind terug rennen door de sloot. Het is nu vermoeiender, we moeten dieper gebukt gaan, want de kans dat we gezien worden is groter. Het is immers nu dag geworden. De zon brandt heet op onze huid en in de wonden, maar verder moeten we. Nu komt het meest gevaarlijke van alles: we gaan uit de sloot, natuurlijk plat op onze buik, en nu zo voortkruipen. We kijken voortdurend om ons heen, want snel mag het nu niet gaan. Nu lopen immers de wachten en de Jappen rond om te controleren of niemand uit zijn hut is. Ze zijn nog steeds rechts van de onze. Kijk, ze gaan daar allemaal in die ene hut. Zou die vrouw daar weg zijn, getracht te vluchten? Of heeft zij een vuurtje gestookt en krijgt zij daar nu stokslagen voor? Goed is het in geen geval daar. Maar dit alles kan ik niet rustig overdenken als ik daar op de grond lig. Nee, dit is de kans. Nu de weg overgestoken en onze hut binnengerend.

Gelukkig, op tijd. Elke morgen wordt dat met een blijde zucht gezegd. Maar zou ’t kunnen dat het nu voor ’t laatst was? Iedere dag immers kunnen we gepakt worden. Het is zo’n groot wonder dat we dat nog niet zijn. Maar de angst die we doorstaan als we daar gaan, maakt ons zo oplettend, zo snel reagerend. Onbewust weet ik in mijn angst wat ons te wachten staat als ze ons zagen...

Nu komen de Jappen bij ons. Angstig klem ik mij aan Moeder vast. Zullen ze slaan? Nee, ze gaan verder. Alles was in orde.

We gaan naar de mandie-kamer. Moeder gaat er in en ik sta er voor op de uitkijk of er geen Jap aankomt. Moeder haalt daar binnen de slakken uit de schelpen, maakt vlug een vuurtje van het gestolen bamboe-hout en kookt de slijmerige dieren in een klein pannetje. Ik hoor wat er gebeurt aan de geluiden, maar gesproken wordt er nooit hierbij.

O hemel, daar komt een Jap op mij af, recht op mij af. Weet hij wat er binnen gebeurt? Ik gil. Moeder doet de deur open, laat mij binnen, doet het haakje erop en pakt zo het hele vuurtje op met haar blote handen en gooit het in het water van de mandie-bak. Een en al blaar zijn haar handen. Weg ons eten. O God, gaan we nu dood? Een gesis van het dovende vuur. Snel het haakje er weer af, want de Jap is inmiddels hier gekomen en stel dat hij een dichte deur vindt. Hij ergens niet binnen? Dan deugt het niet wat daar binnen is en moet alles daar dood.

Juist op tijd gaat het haakje eraf, want direct daarna is hij binnen. Hij kan ons nauwelijks onderscheiden door de rook van het dovende vuur. We zijn erbij. Ik krijg een paar trappen, zodat ik in een hoek versuft blijf liggen, tot opstaan niet meer in staat. Maar wat is dat in vergelijking met de slagen die Moeder krijgt? Eindelijk; hij gaat weg. En nu ik Moeder daar zo bloedend en half dood zie liggen, voel ik niets meer van eigen pijn.

Heel voorzichtig was ik haar wonden. Het moet met mijn eigen speeksel, want schoon water is er niet. Moeder verzet zich niet, ze merkt het immers niet, ze ligt bewusteloos. Maar ik weet, één ding is hier nodig en dat is drinken en dan misschien eten. Dat is het enige waardoor Moeder er bovenop kan komen, want drinken en eten zal versterking betekenen en dat zal het levensverlangen weer wakker maken. Als er eerst maar de wil is om te leven.

Ik ga naar buiten. Hoe gauw aan water te komen? O kijk daar, precies zoals mijn moeder daar straks geslagen werd, wordt daar nu een andere vrouw gegeseld. Maar alle gevoel is uit me weggetrokken. Ik krimp niet ineen zoals anders, want naar iets, vlak daarbij, wordt mijn blik getrokken. Daar staat de rugzak van de Jap. Hij staat half open, een thermosfles steekt er een beetje uit. Ik weet, dit is de redding. En terwijl die andere vrouw daar wordt doodgeslagen, maak ik van dit vreselijke gebeuren gebruik en pak de thermosfles. En er zit meer in de rugzak, drie zakjes rijst. Ik zie in mijn verbeelding Moeder opspringen als zij dit ziet. Ik knel de drie zakjes en de fles in mijn armen en ren het mandie-hok weer in.

Maar Moeder springt niet op, zoals ik dat zag. Nee, heel langzaam zie ik weer iets van leven komen in dat lichaam, dat ten dode was opgeschreven, terwijl ik heel voorzichtig druppelsgewijs water uit de thermosfles giet in haar mond. En eindelijk, na een uur, doet zij haar ogen open en iets wat op een glimlach moet lijken komt er om haar mond als zij mij ziet. Wij hebben immers niets dan elkaar.

In dat uur heb ik er niet aan gedacht hoeveel kans er was dat er weer Jappen zouden komen. Dat die Jap, toen hij merkte dat hij bestolen was van zijn water en rijst razend moet zijn geweest en daar zeker iemand voor heeft moeten boeten.

En ik zie nu geen gevaar meer, niet het grote gevaar dat komen gaat. Ik kan het niet zien en wil het niet zien. Het is groter nog dan wanneer een Jap zou komen en ons beiden zou doodslaan, want nu immers zal één van ons heengaan.

Annemarie van Goch uit Hilversum schreef op de hbs haar herinneringen aan het kamp Lampersari op.
© Familiefoto

Meer nieuws uit Amsterdam

Meest gelezen